Eerlijke beeldtaal

In de jaren twintig wilde de Hongaarse kunstenaar Moholy-Nagy met nieuwe beeldtaal de mens ontvankelijk maken voor nieuwe technologie. Joost Rekveld nam die opvatting als ijkpunt bij het samenstellen van zijn programma `4D' voor het Filmmuseum.

`WANNEER IK IN een boekhandel rondkijk'', zegt experimenteel filmmaker Joost Rekveld, ``vind ik het op de afdeling wetenschap altijd veel interessanter dan op de afdeling kunst. Wetenschap is toch de motor van de maatschappelijke ontwikkeling. Wat ik met mijn films en installaties beoog, is het naar de kunst toetrekken van abstracte wetenschap. Ik wil concepten uit de nanowereld, kosmologie of quantumfysica vertalen in zintuiglijke vormen, ze omzetten naar iets met een menselijke maat.''

Rekveld (1970) stelde als gastcurator van het Filmmuseum het programma `Joost Rekveld presenteert 4D' samen – gisteren ging het met William Cameron Menzies' epische sciencefictionklassieker Things to come uit 1936 in première. Tot eind oktober zijn in het Amsterdamse Vondelpark veertien compilaties te zien van experimentele films en films met wetenschappelijke experimenten, geflankeerd door een wisselende expositie van installaties van internationale kunstenaars en een lezingenreeks. Tot het programma behoort een retrospectief van films van de Hongaarse kunstenaar en Bauhaus-docent László Moholy-Nagy (1895-1946), een pionier op het gebied van ruimtelijke experimenten met beweging, licht en tijd. Ook Rekveld zelf is aanwezig met een keuze uit zijn experimentele films en installaties. Een deel van de geselecteerde films is vermoedelijk niet eerder in het openbaar te zien geweest en enkele titels uit het bezit van het Filmmuseum zijn voor de gelegenheid geconserveerd. Rekveld: ``De meeste experimentele films in het programma worden zeer zelden in Nederland vertoond en de combinatie van experimentele films en wetenschappelijke films is hier bij mijn weten niet eerder gemaakt.''

Rekvelds werk staat mijlenver weg van de conventionele bioscoopfilm. Zijn films zijn onderzoekingen naar het medium zelf, veelal komt er geen lens of zelfs geen camera aan te pas. Gegrepen door de ``sensuele kracht van bewegende kleur'' ging hij op zoek naar de technische oorsprong van films, om uit te komen bij Nipkovschijven of de anorthoscoop van Joseph Plateau uit 1928: een schijf met een vervormde tekening die, samen draaiend met een sluiterschijf (schijf met spleten) een onvervormd maar stilstaand beeld reconstrueert. In zijn films maakt Rekveld gebruik van interferentie van licht langs randen of door smalle spleten. In #23, een cyclus die vijf films moet gaan omvatten, laat hij zich bovendien inspireren door de optica van de Renaissance en de Middeleeuwen. In Book of mirrors, deel 2 uit de reeks die op het Filmfestival Rotterdam van 2002 in première ging, paste Rekveld een vermenigvuldiging toe van lichtstralen door spiegels en kaleidoscopen. ``Die oude apparaten kan ik ook bouwen. Moderne optica is ook interessant maar als gewone sterveling valt dat instrumentarium buiten mijn bereik.''

sterrenkundeRekveld werd afgewezen door de Filmacademie – ``ik geloof dat ik daar achteraf zeer dankbaar voor moet zijn.'' Hij koos toen voor de Interfaculteit Beeld en Geluid van het conservatorium in Den Haag; inmiddels is hij er docent. Sterk beïnvloed is hij door de fascinatie die hij als tienjarige voor sterrenkunde ontwikkelde. ``Ik was amateurastronoom en bouwde mijn eigen kijker. Plaatjes maken van de onmetelijke schaal van de kosmos sprak me aan. Je kon iets maken. Mijn eerste indringende ervaring met film was toen ik in het filmhuis in Gouda Nostalgia van Tarkovski zag. De volgende dag ben ik weer gaan kijken, zo mooi vond ik het, en al snel stond ik als vrijwilliger achter de projector films te projecteren en later ook te programmeren. Een eye opener in Gouda was een festival met animatiefilms – Nederland bezit een geweldige traditie op dat gebied. Er zaten twee abstracte films bij en de directe impact van bewegingen op het doek vond ik waanzinnig. Dat heeft me op het spoor van de experimentele film gezet. De kern daarbij is het aan de orde stellen van andere manieren van kijken en van visueel denken.''

IJkpunt van `Joost Rekveld presenteert 4D' is het werk van de modernist László Moholy-Nagy. Rekveld: ``In de jaren twintig oefende film als nieuw technisch medium grote aantrekkingskracht uit op kunstenaars die de moderne tijd wilden omarmen. Kunstenaars gingen aan de haal met het idee van de vierde dimensie – vandaar `4D' in de titel van mijn programma. Men ging op zoek naar een nieuwe beeldtaal, vergelijkbaar met wat in de abstracte schilderkunst was gebeurd. In het begin een taal van abstracte vormen, later zich richtend op de materie van de verf zelf, op het canvas, op de context. In de experimentele film ging het om licht, vorm, beweging – grafische composities in de tijd. Nieuwe filmtaal moest de nieuwe technologische ontwikkelingen toegankelijk maken, ze moest de menselijke perceptie openen voor de nieuwe wereld.''

Daar werd op zeer utopische wijze over nagedacht. Rekveld: ``In de opvatting van Moholy-Nagy hadden excessen van het industriële tijdperk – uitbuiting van arbeiders, oorlogen – hun oorzaak in een verstoord evenwicht in de emotionele huishouding van de mens, die in zijn verbeeldingswereld nog in de negentiende eeuw vertoefde. Het ontwikkelen van nieuwe beeldtaal, zoals in Moholy-Nagy's klassieke film Lichtspiel Schwarz-Weiss-Grau uit 1930, moest dat evenwicht herstellen. Die maatschappelijke betekenis van film reikt veel verder dan zijn tijd en zijn werk. Het is een algemeen idee over waar het in kunst over hoort te gaan waaraan ik me verwant voel. L'art pour l'art vind ik te vrijblijvend. Ik wil laten zien dat film geen Hollywood-goochelmedium hoeft te zijn, dat er andere, eerlijker manieren van kijken zijn. Beseffen dat het om filmprojectie gaat doet in mijn experimentele films niets af aan de ervaring maar versterkt die juist.''

zonder cameraWas experimentele film in de begintijd een soort bewegend abstract schilderij, inmiddels heeft het genre naast de mainstream-film een eigen plek gevonden en is van alles uitgeprobeerd: aparte belichtingsomstandigheden, projecteren op niet-vlakke oppervlakken. Sinds de jaren vijftig is de duidelijkste exponent van die ontwikkeling de Amerikaanse filmmaker Stan Brakhage, zo meent Rekveld. ``Die maakt films zonder camera door gewoon verf op een blanke filmstrook aan te brengen waarbij ook textuur ertoe doet. Voor oktober staat in het 4D-programma een installatie van Jürgen Reble gepland. Deze Duitse `film alchemist' experimenteert met het chemisch bewerken van emulsies. Zulke beeldbewerkingen, soms uitmondend in complete zoutsculpturen, haalt hij heel langzaam door de projector. De eerste keer dat ik hem ontmoette was die projector door al die chemicaliën een geweldige bonk roest.''

Behalve experimentele films bevat het programma `Joost Rekveld presenteert 4D' ook veel films óver experimenten. Experimenten uit de wereld van wetenschap en techniek. Daartoe heeft Rekveld in het archief van het Filmmuseum in Overveen kratten vol filmblikken met daarop half vergane plakbandjes op montagetafels leeggestort. ``Een wereld ging voor me open. Zo stuitte ik op een film van de gebroeders Pathé uit 1910, met als onderwerp kloppende kikkerharten. Ook films met helikoptermodellen, medische röntgenfilms, een etnografische analyse van de bewegingen van Parijse straatvegers, een betoverend mooie film over de toepassingen van licht en een over wervelingen die obstakels in een bak water teweeg brengen, hebben hun weg naar de compilaties gevonden. Bijzonder fraai zijn de jaren-dertigfilms van J.C. de Mol met time lapse-opnamen van zich openvouwende bloemen en van groeiende kristallen. Nieuw voor me was het genre van de wiskundige animatiefilm. In een voorbeeld van dat genre, een film uit de jaren twintig, werd de stelling van Pythagoras stap voor stap uit de doeken wordt gedaan – een visueel betoog in stappen.''

romantisch ideeVan een kloof met de experimentele film is volgens Rekveld nauwelijks sprake. ``Weliswaar zijn die films met wetenschappelijke experimenten voor een totaal ander publiek bedoeld en vanuit een andere agenda gemaakt, maar wat ze met experimentele films gemeen hebben is het kernidee: ingrijpen in het menselijk zintuiglijk voelen door nieuwe manieren van kijken aan de orde te stellen. Die wetenschappelijke films, soms niet meer dan bijproducten van experimenten, hebben de belevingswereld van mensen enorm beïnvloed. Ik zie die tegenstelling tussen wetenschap en techniek niet zo. Ik geloof in het romantische idee van kunstenaars die in hun werk onontdekte zintuiglijke of conceptuele gebieden betreden, en van wetenschappers die met experimenteren hetzelfde bereiken. De overeenstemming overheerst.''

Een opvallende figuur uit de 4D-lezingenreeks is Dan Sandin, ooit kernfysicus en sinds de jaren zeventig pionier op het gebied van video- en mediakunst. Van zijn hand is de Sandin Image Processor, een real time videosynthesizer waarmee hij concerten gaf die hij met `Electronic Visualization Events' aanduidde. Met Tom DeFanti richtte hij het Electronic Visualisation Laboratory op, verbonden aan de Universiteit van Illinois in Chicago. Rekveld: ``Nog altijd is hij daar directeur. Dat laboratorium heeft twee kanten: academie voor mediakunst én instituut voor wetenschappelijke visualisatie. In die laatste hoedanigheid hebben ze the cave ontwikkeld, een virtual reality-ruimte voor groepen. Sandin is een interessante figuur die zich op het snijvlak van wetenschap en kunst ophoudt.''

Er bestaan – prille – plannen om de nieuwe faculteit der kunsten van de Leidse Universiteit, een samenwerkingsverband met de Haagse Hogeschool voor Beeldende Kunsten, Muziek en Dans, met een vergelijkbaar laboratorium als dat van Dan Sandin uit te rusten. Rekveld: ``Ik denk mee en vind dat een spannend idee. De uitdaging is mediapoot en wetenschappelijke poot elkaar te laten bestuiven. En zo'n instituut zou mijn missie de mens zintuiglijk te openen verder kunnen brengen.''

`Joost Rekveld presenteert 4D'. T/m 27 oktober in het Filmmuseum, Amsterdam. Zie www.filmmuseum.nl.

    • Dirk van Delft