De Europese student leent liever niet

De Nederlandse overheid wil studenten van hun leenangst afhelpen, omdat ze nu te veel bijbaantjes hebben die hun studie onnodig verlengen. Maar de leenangst zit diep, blijkt elders in Europa.

Er zit iets scheef in het Nederlandse hoger onderwijs, vindt staatssecretaris Rutte (VVD, Onderwijs). Om hun studie te kunnen betalen, nemen veel studenten er een baan bij, vaak tot twintig uur per week. De tijd die opgaat aan bier tappen of post bezorgen wordt niet aan de studie besteed. En daarmee wordt indirect de overheid op kosten gejaagd, want baantjes verlengen de gemiddelde studieduur met vele maanden.

Het percentage studenten dat geld leent bij de Informatie Beheer Groep, ligt rond de 12 procent. Te weinig, vindt Rutte. Hij wil de studenten daarom van hun `leenangst' afhelpen, kondigde hij vorige week aan op Hogeschool Windesheim in Zwolle. Wie na zijn studie een goede baan krijgt, moet zijn schuld aflossen. ,,En als hun inkomen later tegenvalt, krijgen ze de schuld geheel of gedeeltelijk kwijtgescholden'', aldus Rutte. ,,Niemand kan hierdoor later in de problemen komen.''

Maar is de mentaliteit van studenten te veranderen door beleid? Ervaringen van andere Europese landen laten zien dat leenangst vrij algemeen is, ongeacht het stelsel van financiering. Het internationale onderzoeksbureau RAND Europe, gevestigd in Leiden, onderzocht vorig jaar in opdracht van het ministerie van Onderwijs tien hoger-onderwijsstelsels in acht Europese landen, de VS en Australië.

In veel Europese landen wordt net zo weinig geleend als in Nederland, zegt onderzoeksleider Erik Frinking van RAND Europe. ,,Dat heeft allerlei oorzaken, per land zijn die anders. Soms is het stelsel er niet op ingericht, soms nemen studenten gewoon met minder genoegen. En in sommige Europese landen is het nog heel normaal dat ouders alle kosten betalen.''

Opvallend is vooral het leengedrag van Vlaamse studenten, dat zelfs onder de 1 procent ligt. Slechts eenvijfde van de studenten krijgt een studietoelage van de overheid. Kenmerk van Vlaanderen, zegt Frinking, is echter de grote vanzelfsprekendheid dat ouders betalen aan de studie van hun kinderen. ,,Ouders krijgen daarom ook kinderbijslag totdat het kind 25 jaar is.'' De rest van het inkomen verdienen Vlaamse studenten met bijbaantjes.

Soms komt lenen ook weinig voor omdat het studenten vrijwel onmogelijk wordt gemaakt. Zo biedt de overheid in Polen in theorie aantrekkelijke leningen, waarbij de overheid de helft van de rente zelf betaalt. Maar door een krap onderwijsbudget slechts 0,8 procent van het BBP gaat naar het hoger onderwijs valt het aanbod in de praktijk tegen en kan slechts 1,8 procent van de studenten lenen. De rest, schrijven de onderzoekers, is aangewezen op ,,spaargeld, inkomen uit werk of bijdragen van ouders''.

Tegenstanders van lenen, zoals de studentenbond LSVb, wijzen erop dat de toegankelijkheid van het hoger onderwijs in gevaar komt als studenten van leningen afhankelijk worden. Immers, veel scholieren zullen terugdeinzen voor een studie als zij het vooruitzicht van jarenlang terugbetalen hebben. Geven ervaringen elders in Europa hun gelijk?

Opvallend genoeg blijkt de toegankelijkheid van hoger-onderwijsstelsels waar veel geleend wordt, niet voor de `leenschuwe' landen onder te doen. In Zweden volgt meer dan eenderde van de twintigers hoger onderwijs het hoogste percentage na Finland. Landen als Polen (24 procent), Nederland (22,9 procent) en Duitsland (23,6 procent) liggen hier achter. In Italië, waar slechts een paar honderd studenten lenen, studeert 18,7 procent van de twintigers.

Maar dat betekent niet dat stelsels waar veel geleend wordt, ook de beste zijn. De onderzoekers van RAND Europe wogen ook af in welk systeem de kwaliteit, de kosten én de toegankelijkheid van het hoger onderwijs het meest in evenwicht zijn. Optimaal is volgens de onderzoekers Duitsland, waar relatief de beste prijs-kwaliteitverhouding is. Studenten betalen daar geen collegegeld, hooguit een klein bedrag voor studentenorganisaties. Tegelijkertijd springt de overheid alleen bij als ouders dat niet kunnen. Bijna een kwart krijgt een beurs, die voor de helft een lening is. De overheid besteedt hierdoor een relatief laag bedrag circa 1 procent van het BBP aan het hoger onderwijs. Volgens RAND Europe is de Duitse student toch relatief rijk: zijn gemiddelde inkomen is 700 euro. De helft van dit bedrag komt van ouders. De rest bestaat uit beurzen, leningen en werk. Dit systeem wordt door de onderzoekers efficiënter ingeschat dan het Nederlandse, dat een plek in de middenmoot krijgt. Hier betaalt iedere student 1.470 euro collegegeld en krijgt, als hij of zij voldoende punten haalt en snel genoeg afstudeert, studiefinanciering. De Nederlandse overheid besteedt iets meer geld aan het hoger onderwijs dan Duitsland ongeveer 1,15 procent van het BBP.

Toch nuanceren de onderzoekers de stelling van Rutte en de studentenbonden dat de leenangst onder studenten zo groot zou zijn. Nederlandse studenten zijn niet erg rijk, maar ze geven vergeleken met het buitenland ook niet veel uit. En daardoor is de ,,noodzaak tot het aangaan van een schuld niet of nauwelijks aanwezig''.