Burgers moeten na 11 september wat rechten opgeven en dat is niet/wel erg

Wie de verworvenheden van de rechtstaat wil verdedigen tegen terreur door deze gedeeltelijk op te geven, heeft die strijd meteen verloren, vindt advocate Britta Böhler. Toch ziet ze dat nu gebeuren. `Na 11 september is er een soort paniek ontstaan, waarbij de feiten volledig uit beeld verdwijnen.'

Eigenlijk maakte de Amsterdamse advocate Britta Böhler zich iedere keer weer kwaad als er iets in haar zaken gebeurde dat niet deugde. En daarna vergat ze het weer. Om dan bij het volgende incident toch maar weer boos te worden. Als de politiek zich in de zaak mengde, het proces niet eerlijk kon worden gevoerd of het publiek een volkomen verkeerde indruk kreeg. Nu heeft ze het allemaal opgeschreven in haar nieuwe boek Crisis in de rechtstaat, dat vanaf deze week verkrijgbaar is.

De druppel die de emmer deed overlopen waren de processen in Rotterdam tegen een `extremistische moslimcel' die aanslagen in Parijs zou voorbereiden en een groep `rekruten voor de jihad' in Rotterdam die de Talibaan in Afghanistan zouden steunen tegen de VS. Beide processen werden vorig najaar glansrijk door de verdediging gewonnen, waarna de publieke opinie onder leiding van ministers én Kamerleden zich over de volle breedte tegen het vonnis en de vrijgesprokenen keerden. Toen constateerde ze dat er is iets structureel mis is in het politieke debat in Nederland. De rechtstaat wordt uitgehold en iedereen lijkt z'n schouders op te halen, omdat we bang zijn geworden voor terreur. Terwijl we juist zwichten voor terreur door die beginselen op te geven, zegt zij.

In vijf maanden schreef ze daarop een boek, waarvan ze hoopt dat het de geïnteresseerden in politiek en recht zal wakker schudden. Het is geen aanklacht geworden, geen politiek pamflet, maar een feitelijk redenerend verslag van een aantal grote politiek getinte strafzaken die zij en haar kantoorgenoten behartigden. Zij plaatst haar ervaringen in de zaken Zorreguieta, Margarita, Volkert van der G., mullah Krekar, Al Aqsa en de Rotterdamse `terroristen' in het perspectief van de Verlichting en de Nederlandse politieke geschiedenis. Ze komt tot harde conclusies. Het recht op een eerlijk strafproces wordt bedreigd, de staat dringt binnen in de persoonlijke levenssfeer, misbruik van overheidsmacht is geen incident meer. Maar bovenal: de notie van de rechtstaat, als morele waarde, historische verworvenheid en teken van beschaving, is uit het publieke besef aan het verdwijnen. En dat is de schuld van de politieke klasse, die er niet meer over wil of durft te praten. De angst overheerst. Veiligheid is nu zo belangrijk geworden dat de bestrijding van criminaliteit en terreur de grondslagen van de rechtstaat zélf aantast. Böhler bestrijdt populaire noties over het `doorgeschoten individualisme', analyseert ontwikkelingen in het strafrecht en legt verbanden. Haar conclusie: wie de verworvenheden van de rechtstaat wil verdedigen tegen terreur door deze op te geven, heeft die strijd meteen verloren.

Ze heeft moeite gedaan om er geen `boos boek' van te maken, ,,want dan kun je de feiten niet goed overbrengen en gaat de boodschap verloren''. Maar ze wilde strikt blijven redeneren en veel politiek en intellectuele historische context aanbieden. Het is dan ook geen juristen-boek geworden, bestemd voor degenen die het verschil tussen samenspanning en samenzwering appreciëren. Eigenlijk gaat het over de stand van de beschaving. Maar dat kun je moeilijk op een boekcover zetten, als je slechts advocaat bent. Daarom werd `De stand van de beschaving in historisch perspectief' hoofdstuk een.

Britta Böhler is een slanke, rijzige vrouw, die er op foto's strenger uitziet dan in het echt, waar ze over een brede glimlach beschikt. Zij is de politieke advocaat van Nederland. Behalve bovengenoemde zaken behartigde ze ook de belangen van de Koerdische leider Öcalan. Ook als het niet direct over politiek of staatsveiligheid gaat, zijn haar zaken politiek relevant. Böhler treedt ook op namens een van de verdachten in de Clickfondszaak, de eerste grote beursfraudezaak die justitie voor de rechter bracht.

Haar kamer is niet heel groot en een beetje rommelig. Ze lijkt opgelucht dat haar boek op tijd is afgekomen, nog voor het begin van het parlementaire jaar. En best tevreden dat ze haar verhaal in de krant kwijt kan. Want ze meent dat de groep burgers die zich stil zorgen maakt over wat er `allemaal aan het gebeuren is' veel groter is dan de Kamer aanneemt. Ze begon in december vorig jaar met schrijven; half mei moest het af. Nu hoopt ze op een katalysatoreffect, waarvan ze toegeeft dat het ook net zo goed kan uitblijven. De publieke opinie staat sinds `11 september' en de moord op Fortuyn vrijwel Kamerbreed afgestemd op Meer Rechtshandhaving, aangewakkerd door een antimigrantenstemming. Het lijkt wel verboden om na te denken, meent ze. In haar boek citeert ze met afkeuring VVD-fractievoorzitter Van Aartsen die premier Balkenende verweet terrorisme te `vergoelijken', alleen maar omdat de premier had gezegd naar de oorzaken ervan te willen zoeken. ,,Zoiets geloof je toch niet?''

In haar boek somt zij voorbeelden op van ministers die op lopende strafzaken invloed proberen uit te oefenen, voor slechts één verdachte de wet strenger maken, bij uitzetting hun macht misbruiken, de rechter en de officier om de tuin leiden. Ze hekelt wetgeving die diep ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer van de burger, veroordelingen mogelijk maakt op basis van informatie van de geheime dienst die de verdachte niet mag kennen, omkering van de bewijslast waardoor de verdachte z'n onschuld moet aantonen – een haast algemene verloedering van de rechtstaat, die de lezer op de laatste bladzijde onthutst achterlaat. Is zij zó pessimistisch? ,,Als die trend zich doorzet, dan wel. Maar ik probeer nu vooral duidelijk te maken wat er gaande is. Dat is niet onomkeerbaar. Dit kan ook een omslagpunt zijn. Het kan ook goed aflopen.''

Steen des aanstoots voor Böhler is het uitgangspunt van minister Donner (Justitie) dat verdachten `echt niet worden geboren met allerlei rechten'. Volgens haar is het precies omgekeerd. Alle mensen hebben juist wel van oorsprong gelijke rechten en zijn in beginsel vrij. Die vrijheidsrechten zijn bedoeld om het individu juist te beschermen tegen de macht van de staat en het individu in staat te stellen zich vrij te ontplooien. In de staat ziet Böhler principieel een groot gevaar. Groter dan de mens zelf, groter dan het gevaar van een terrorist? ,,Uiteindelijk wel. Een staatsapparaat moet per definitie bevoegdheden hebben om in te grijpen in het persoonlijk leven. Dat is potentieel een bedreiging. Als je dat niet beperkt, dan is de kans van misbruik heel groot.'' Een terrorist kan, hoe gevaarlijk ook, nooit meer dan een beperkte groep treffen. De staat kan echter, met een foute wet, in een keer ,,de fundamenten van ieders bestaan raken. Terreur is vreselijk, maar dat is toch anders dan wat een misdadig staatsapparaat kan veroorzaken.''

Nu zijn we, ook volgens Böhler, nog ver weg van een `misdadig' staatsapparaat. Maar zij neemt wel aanstoot aan de samenvattende term `bruikbare rechtsorde', waar Donner mee schermt. In die benadering worden vrijheidsrechten van burgers niet als vanzelfsprekend beschouwd, maar als gunsten van een welwillende overheid. Al naar gelang het de overheid zo uitkomt kunnen die worden beperkt of afgenomen. Behalve strikte omschrijvingen van strafbaar gedrag sluipen er nu ook staatsopvattingen over `fatsoenlijk gedrag' de dagelijkse praktijk van de rechtshandhaving binnen. Met als treurig dieptepunt de demonstranten bij het huwelijk van Willem-Alexander en Máxima wier spandoeken in beslag werden genomen omdat ze het waagden daarop een milde voorkeur voor de republiek uit te spreken (`Veel geluk in de republiek Holland'). Vrijheidsrechten moeten worden `verdiend', zo lijkt het wel. Donner doet volgens haar ten onrechte of de overheid moet kiezen tussen de belangen van de samenleving en de rechten van de verdachte. De overheid moet volgens haar juist opkomen voor de rechten van verdachten in het belang van de samenleving.

Het is dit `dader-denken' dat haar naar de pen deed grijpen. In de nasleep van de Rotterdamse processen zag zij hoe de premier op televisie een wetswijziging bepleitte omdat het ,,toch niet zo kan zijn dat we terroristen moeten vrijlaten omdat we geen informatie van de AIVD mogen gebruiken''. In haar boek beschrijft zij uitgebreid dat AIVD-informatie wél mag worden gebruikt en ook werd gebruikt. Maar de rechter vond dat justitie noch uit politieonderzoek noch uit AIVD-informatie ook maar een snipper overtuigend bewijs voor terroristische activiteiten had aangedragen. ,,Hoe kon de premier zoiets zeggen? Die mensen zijn hoogstwaarschijnlijk onschuldig. Dat zijn voor een deel 17-, 18-jarigen die de volgende dag weer naar school of hun werk moeten. En dan zegt de premier op televisie dat ze terroristen zijn! En niemand wond zich erover op. Ik was stomverbaasd. De premier concludeerde ook dat de wet veranderd moest worden. Maar waarom dan? Om onschuldigen te kunnen veroordelen? Na `11 september' is er een soort paniek ontstaan, waarbij de feiten volledig uit beeld verdwijnen.''

Zo glijdt de staat wel vaker uit. In de kwesties Zorreguieta, Margarita en mullah Krekar lijkt volgens haar een begin van `politieke rechtspraak' te ontstaan. Zij maakt in haar boek aannemelijk dat de aangifte tegen Zorreguieta onder regie van premier Kok pal voor de aankondiging van de verloving door justitie werd afgewezen. En dit terwijl het parket aanvankelijk had gezegd met een beslissing te willen wachten op een beslissing van de Hoge Raad in een exact vergelijkbaar geval – de vraag of Nederland rechtsmacht heeft tegen Bouterse. Een hoofdzonde tegen het beginsel van het primaat van het recht over de politiek. In de kwestie Margarita kwam aan het licht dat het staatshoofd ongelegitimeerd de veiligheidsdienst gebruikte als een `soort privé-detective', geheel en al buiten het zicht van kabinet of Kamer. De wetswijziging die na de ophef volgde, dicht dat gat volgens haar niet. In de kwestie mullah Krekar misbruikte de minister z'n uitzettingsmacht, misleidde de rechter, het parket en de Kamer en arresteerde zelfs de advocaten. Böhler kan het niet bewijzen, maar acht het aannemelijk dat Donner in die kwestie een ambtsmisdrijf pleegde.

Alles bij elkaar is Böhler nog tamelijk mild. ,,Geen enkele rechtstaat is vlekkeloos. Er zal altijd wel iets mis gaan. Je moet je realiseren dat als de staatsmacht het werkelijk wil, er altijd mogelijkheden zijn om het recht te omzeilen. Maar als er geen consequenties aan verbonden zijn, als er geen discussie komt, als niemand zich opwindt, dan redeneert een politicus toch `ach, ik kan het nog wel eens proberen'. Dan verandert het bewustzijn. Steeds meer gezagsdragers maken het onderscheid tussen de scheiding der machten niet meer, net zo min als tussen daders en verdachten. Ook bij de top van ons land speelt het besef van rechtstatelijkheid geen rol meer. Daar ondervinden gewone mensen de gevolgen van. Terwijl zij een voorbeeldfunctie hebben. Zij moeten ons laten zien hoe de rechtstaat in elkaar zit. De minister van Binnenlandse Zaken zegt op televisie, na een bepaalde arrestatie – ik ben blij dat we de dader hebben gevonden. Niemand zegt daar wat van! Dan tekent dat een ontwikkeling. Dat is gevaarlijk. Als de minister het onderscheid niet meer maakt, waarom zou u dat dan nog moeten maken.''

Tegelijk realiseert Böhler zich dat de reden dat `niemand er iets van zegt' gelegen is in een maatschappelijk klimaat waarin de burger de staat vooral lijkt aan te moedigen op de ingeslagen weg door te gaan. De bezwaren die zij uit tegen preventief fouilleren, algemeen DNA-onderzoek, het aanleggen van zwarte lijsten met verboden organisaties, preventief arresteren en het oprukken van de geheime dienst in het strafproces worden doorgaans weggewuifd met `ach, ik heb toch niks te verbergen'. Een onjuist argument, vindt zij, waar burgers snel van terugkomen als ze beter geïnformeerd raken. Zij ziet met lede ogen aan dat de staat de grenzen laat vervagen tussen strafbaar gedrag en `onfatsoenlijk gedrag', althans gedrag dat voor velerlei uitleg vatbaar is. Wie en op grond waarvan mag straks uit voorzorg gefouilleerd worden of alvast opgepakt? Op basis waarvan zal de staat straks concluderen dat iemand waarschijnlijk terroristische bedoelingen heeft?

Böhler vindt de antiterrorismewetgeving zorgwekkend. Verdachten mogen straks veroordeeld worden op basis van informatie van de geheime dienst waarvan de advocaat en de verdachte niet mogen weten wat het is en waar het vandaan komt. Weliswaar mag de rechter die informatie toetsen, maar die mist daarbij dus de inbreng van de verdachte. ,,Heel veel mensen zouden het ridicuul vinden als je als verdachte een alibi hebt, maar dat alleen aan de rechter hoeft te vertellen en niet aan de officier van justitie. Natuurlijk moet de officier daarop kunnen reageren – die moet kunnen zeggen `ja, maar dat was een goede vriend van u' of zo. Alleen dan kan de rechter dat afwegen. Maar nu is er écht afgesproken dat een deel van het verhaal alleen aan de rechter wordt verteld. Dat leidt dus tot een veel groter risico op vonnissen die uiteindelijk niet kloppen.''

De wetsvoorstellen over de registers die de politie straks mag aanleggen met `zachte informatie' noemt ze ronduit angstaanjagend. ,,En dat zeg ik dan niet als advocaat die de rechten van de verdachte moet beschermen. Maar gewoon als staatsburger.'' Volgens Böhler heeft de burger geen idee van de informatie die de staat interessant vindt en waarvan hij straks voor de rechter opeens moet bewijzen dat hij er geen kwaad mee heeft bedoeld. Wie nu `niets te verbergen' heeft kan nog voor verrassingen komen te staan. Sinds een paar weken bestaan er bijvoorbeeld verboden (strafbare) afspraken tussen mensen, namelijk afspraken `met een terroristisch oogmerk'. ,,Als ik in een overmoedige bui in een café tegen u zeg: `het gaat verkeerd in dit land, wij gaan de Tweede Kamer in brand steken', en u zegt `prima idee', dan zijn we op dat moment strafbaar.'' Ook als we de volgende ochtend tot bezinning komen? ,,Ja. We hoeven er zelfs geen benzine voor te hebben gekocht of iets te hebben gedaan. Alleen de afspraak maakt ons al strafbaar.'' Böhler schetst een scenario waarin de AIVD het `terroristisch oogmerk' van een strafbare afspraak verder onderbouwt met `zachte' informatie die de dienst uit allerlei databanken heeft gefilterd. Regelmatig eten in restaurants uit onbetrouwbare landen (creditcardafrekening), bezoek aan websites die de staat niet vindt deugen (internetprovider), eet op vliegreizen geen varkensvlees (reserveringscomputer) – dus moslim, belt vaak met Arabische landen (gsm-netwerk), gebruikt soms het woord `jihad' (telefoontap), enzovoort. Het zogeheten `profiling' is daarmee geïntroduceerd. Een poging om op basis van gedragskenmerken een portret te schetsen van `de' terrorist, bedoeld als handleiding bij de opsporing. Böhler is er sceptisch over. ,,Mensen uit sommige landen krijgen dan al meteen een streepje. Dat is niet bevorderlijk voor de integratie. Bovendien: heel veel mensen voldoen aan zo'n profiel zonder dat ze ook maar iets te maken mebben met terrorisme. Je kan ook niet zeggen dat alle terroristen zwart haar hebben. In Duitsland, in de RAF-terreur, heeft dit middel weinig opgeleverd.''

Maar het is vooral het `grijze gebied' van interpretatie, persoonlijke indrukken en opsporingsopportunisme waarin de waarheid moet worden gevonden en dus recht gedaan dat haar bezorgd maakt. ,,Als we echt brandstichting van plan zijn, dan is dat heel ernstig. Maar als het baldadigheid was, hoe bewijs je dat dan? Hoe bewijs je dat die afspraak niet serieus was?'' Böhler schetst een hellend vlak van vaag bewijs, ruime opsporingsbevoegdheden en gebrekkige proceswaarborgen. ,,Misschien vindt de staat het ook wel prettig dat er zo controle mogelijk is op de burgers. Dat ze ook wel willen dat burgers dat weten. Dan kom je weer in de sfeer van fatsoen en opvoeding – van waarden en normen.'' In een eerder proces baseerde justitie een verdenking van terrorisme onder meer op het ontbreken van een afgesloten reisverzekering. ,,Volgens justitie betekende dit dat ze niet terug wilden komen, omdat ze toch van plan waren terrorist te worden. Dat zijn heel vergaande conclusies uit nietszeggende handelingen.'' Waarmee Böhler maar wil zeggen dat wie `niets te verbergen heeft' voortaan maar beter een reisverzekering kan sluiten. Straks wordt het nog tegen je gebruikt en dan moet je bewijzen dat je best terug wilde keren. ,,In die nieuwe wetgeving is de bewijslast omgedraaid. Je moet bewijzen dat je geen brand wilde stichten. We komen in een sfeer terecht waarin je voor van alles en nog wat veroordeeld kan worden. Voor een `feit' waarvan niets tastbaar is. Je kan er zelf van overtuigd zijn dat je niks strafbaars doet. Maar de overheid kan daar op basis van die gegevens heel anders tegenaan kijken. Dat vind ik gevaarlijk. Rechtspraak is ook maar mensenwerk. Je komt dan in de buurt van het strafbaar stellen van een gedachte of een mening.''

Crisis in de rechtstaat. Spraakmakende zaken, verborgen processen. Britta Böhler. Uitgeverij de Arbeiderspers.

ISBN 9029504609. €17,95

`Als niemand zich opwindt denkt de politicus, ach dat kan dus best'

    • Folkert Jensma