Bleekneusjes in de berglucht

Er bestaat een anekdote dat de regisseur Alfred Hitchcock geen achtergrondmuziek wilde bij zijn film Lifeboat. De film vertelt het verhaal van zeven overlevenden van een U-bootaanval op een oceaanstomer en speelt zich van het begin tot het einde af in een reddingsboot op volle zee. Dus waar zou de muziek vandaan moeten komen?

Het lijkt even ongepast om een natuurkundige voordracht met groot symfonieorkest te laten begeleiden, zeker als die voordracht midden in het hooggebergte van Colorado plaatsvindt. Toch kan ik het van harte aanbevelen. Niets zo effectief als een paar openingsmaten van Mahler om het publiek bij je lezing te betrekken en voor de eindconclusies heb ik goede ervaring met Beethoven. (Hoe graag zou ik deze eerste column met klaroengeschal beginnen.)

De exotische combinatie van natuurkunde en klassieke muziek vindt elke zomer plaats in het bergplaatsje Aspen in de Verenigde Staten. In de winter is het dé favoriete wintersportbestemming voor Hollywoodsterren en zakenmagnaten. In de zomer trekt het een alternatiever en goedkoper talent, dat wat verdwaasd naar de etalages van Gucci en Cartier kijkt. Er is een bekend muziekfestival waar jonge musici de gelegenheid krijgen met grote namen samen te spelen. Naast de hightech muziektent, aan de andere kant van de bergweide, ontstaat iedere zomer een impromptu natuurkunde-instituut – met uitstekende akoestiek, vandaar de spontaan overwaaiende orkestraties. Hier, tussen de kabbelende bergstroompjes en wilde beren, vinden creatief gelijkgestemden elkaar.

De zomerse migratie van academische bleekneusjes naar de frisse berglucht, ver weg van commissiewerk en onderzoeksvoorstellen, heeft soms onverwachte gevolgen. Zo bespraken wij tijdens een lunch in 1991 een prozaïsch probleem. In die eerste jaren van e-mail stuurden we elkaar elektronisch onze nieuwste artikelen toe. Maar computergeheugen was toen nog schaars en al snel raakte je postbus verstopt met wetenschappelijke spam. Paul Ginsparg, een fysicus die op het kernwapenlaboratorium Los Alamos werkte, wist een praktische oplossing. Die middag knutselde hij een van de allereerste webpagina's in elkaar. Hij creëerde een virtuele plaats waar iedere dag, vers van de pers, de nieuwste artikelen gratis en voor iedereen toegankelijk te lezen waren. Wij konden niet vermoeden dat wij aanwezig waren bij een revolutie in wetenschappelijke communicatie, de geboorte van `het archief' of in cybertaal arXiv.org.

Het archief is een ongelooflijk succes geworden en uitgewaaierd over vele exacte disciplines, van sterrenkunde tot wiskundige biologie. Waren er in het begin honderd inzendingen per maand, nu zijn dat er vierduizend met wereldwijd meer dan honderdduizend gebruikers. Er zijn geen referees, alleen een lichte screening om de crackpots te weren. En alles op een koopje. De kosten om een artikel te plaatsen zijn enkele euro's. Vergelijk dat met de tienduizenden euro's die een publicatie in een prestigieus tijdschrift van een commerciële uitgever uiteindelijk kan kosten. Steeds vaker wordt een artikel überhaupt niet meer aan een tijdschrift aangeboden.

Pionier Ginsparg is onlangs samen met zijn archief overgestapt naar de Cornell universiteit. Dat ging niet vlekkeloos, omdat hij van zijn oude werkgever een zeer matige beoordeling had gekregen, nog wel voor zijn computervaardigheden. Maar, zoals zijn nieuwe decaan trots zei, op het evaluatieformulier kon je niet het vakje `revolutie in wetenschappelijke communicatie' aankruisen. Omdat Cornell een private instelling is en geen overheidslaboratorium, is het archief nu ook minder aansprakelijk voor rechtszaken. Enkele teleurgestelde creationisten probeerden namelijk met dure advocatenbureaus toegang tot het elektronische archief af te dwingen en schroomden daarbij niet paus en president aan te klagen. In Ginspargs woorden: the problem with the global village is all the global village idiots.

Meer dan alle mooie woorden en goede bedoelingen van wereldverbeteraars heeft het archief de wetenschappelijke wereld kleiner gemaakt. Zonder deze elektronische reddingslijn zouden groepen in de derde wereld nooit zo competitief kunnen zijn. Het is misschien niet toevallig dat vorig jaar een enorme doorbraak in de getaltheorie werd gemaakt door een jonge hoogleraar en twee doctoraalstudenten in Kanpur, India. (En het is een andere reflectie van die nieuwe wereldorde dat deze twee studenten prompt door de regering Bush een visum werd geweigerd, toen ze een grote Amerikaanse prijs in ontvangst wilden nemen.)

Dankzij Ginspargs archief is wetenschappelijke communicatie zelfs een kwestie van seconden geworden. Zo waren twee onderzoeksgroepen, nota bene beide van dezelfde universiteit, in een felle competitie gewikkeld. Uiteindelijk kwamen ze overeen om uit collegialiteit op dezelfde dag te publiceren. Maar de ene groep was daar toch niet tevreden mee en wilde per se bovenaan de dagelijkse lijst komen te staan. Daartoe verstuurden ze hun artikel één seconde na de middernachtelijke deadline. Helaas wisten zij niet dat de software op tien seconden afrondt en verscheen hun artikel toch een dag te vroeg, een soort wetenschappelijke ejaculatio praecox.

Er wordt wel gegrapt dat het archief de enige nuttige toepassing van de snaartheorie zal zijn, althans op korte termijn. De lunchdiscussie in Aspen is inderdaad een goede illustratie van een onzichtbaar goed: de afgeleide waarde van de wetenschap opgevat als gigantisch sociaal experiment. Dit geldt in het bijzonder voor de werkelijk volledig internationaal gerichte natuurkunde. Breng talent uit de gehele wereld bijeen met een gemeenschappelijke interesse en een universele taal (de wiskunde) en observeer hoe nieuwe communicatievormen zich ontwikkelen.

Het is daarbij een interessant gegeven dat het archief werd ontwikkeld door een fysicus en niet door een informaticus of door een innovatief softwarebedrijf. En helemaal niet door de wetenschappelijke uitgevers, de opvallendste afwezigen bij de elektronische revolutie. Een reden is dat perfectie de natuurlijke vijand van het goede is. Ginsparg zocht geen ideale oplossing maar begon gewoon met iets eenvoudigs dat werkte en verbeterde dat beetje bij beetje, alles op een afgedankte pc onder zijn bureau. Het helpt hierbij dat fysici een gevoel van zelfredzaamheid cultiveren en dat een zeker anarchisme hun niet vreemd is. Ze vinden het prima om zelf hun `vlugschriften' af te drukken. In kalfsleer gebonden delen met goud op snee spreken misschien meer juristen en medici aan, een voor de uitgeverswereld lucratievere markt.

De moeilijk te benoemen, maar o zo belangrijke sociale aspecten die fysici iedere zomer naar Aspen brengen, zijn de stuwende kracht voor innovaties zoals het archief. Alleen al om deze spin-off is wetenschap een geweldig nuttige investering, ook al is dit aspect in deze tijd van `kennis, kunde en kassa' moeilijk in harde euro's te vatten. Op korte termijn heeft het archief eerder een deuk in de beurskoers van Reed Elsevier geslagen.

Een fysicus heeft eens gezegd: wetenschap is een sociale bezigheid bij uitstek, het is alleen de psychologie van de wetenschappers die er voor zorgt dat uiteindelijk alle eer aan één persoon wordt toegedicht. Toen ik voor het eerst als scholier een Scientific American in handen kreeg, was ik niet zozeer onder de indruk van al die mooie wetenschap, als wel van het feit dat drie geologen uit Trontheim, Chicago en Kyoto samen één artikel konden schrijven. Zelfs een absolute gigant als Isaac Newton zei over die intellectuele schatplichtigheid: `Als ik verder heb gekeken, dan was dat omdat ik op de schouders van reuzen stond.' Wel een uitspraak met een vette knipoog, want zijn directe concurrent Robert Hooke, aan wie deze woorden gericht waren, was opvallend klein van stuk.

Pas dus op voordat u zich door sentimentaliteit laat overvallen en hier de zoetgevooisde violen laat aanzwellen om een vreugdedansje in de alpenwei te maken. De haat-liefdeverhouding met collega's werd mooi gekarakteriseerd door een trouwe stamgast in Aspen, de deeltjesfysicus Murray Gell-Mann, met een moderne interpretatie van Newtons woorden: `Als ik verder heb gezien, was dat omdat ik omringd was door dwergen.'

    • Robbert Dijkgraaf