Alleenheersers

Met Tretjak in het doel, aanvallers als Krutov, Larionov en Makarov in het veld en coach Tichonov op de bank is het ijshockeyteam van de Sovjet-Unie jarenlang zo goed als ongeslagen gebleven. De combinaties liepen als een uurwerk. Slechts af en toe hoefde Tichonov instructies te geven. Meestal zag hij dat het goed was. Van 1956 tot en met 1992 behaalde de Sovjet-Unie (vanaf 1992 Rusland) op twee uitzonderingen na telkens het olympisch goud binnen. Tweemaal lagen de Verenigde Staten in de weg: de laatste keer betrof het de historische en politiek beladen zege in 1980 op de Olympische Spelen in het Amerikaanse Lake Placid. Daar mocht ook Nederland aantreden tegen de rode machine: de ploeg met onder meer Jack de Heer werd genadeloos van het ijs geveegd. Met de komst van president Gorbatsjov begon het ijshockeyteam scheuren te vertonen. De Sovjet-Unie viel uiteen, de spelers mochten het land verlaten om miljonair te worden in het Westen. ,,Er kan nooit een eind komen aan het Russische ijshockeytijdperk'', verklaarde Tichonov in de jaren negentig. Als hij bedoeld heeft dat Rusland altijd dominant zou blijven op het ijs, dan heeft hij zich vergist. Sinds de Olympische Spelen in 1994 heeft Rusland geen goud meer gewonnen. En afgelopen week moest het Russische team tijdens de World Cup zijn meerdere erkennen in de Amerikanen. Na de kwartfinale konden de spelers, ondanks de recente terugkeer van de inmiddels 74-jarige coach Tichonov, al naar huis.

Dit is de zesde aflevering in een serie over alleenheersers in de topsport.