Alleen de honden en ik zijn niet Hongaars

Twee weken geleden waren we in Nederland om de verjaardag te vieren van een man die ik nooit ontmoet heb. Van de 35 aanwezigen waren er slechts twee die hem werkelijk gezien, gevoeld, gehoord, gekend hebben. Het was de allereerste keer, en waarschijnlijk ook de laatste, dat dit gevierd werd. We kwamen bij elkaar ter ere van de 100ste geboortedag van Samuel van Voerst van Lynden, grootvader van mijn echtgenote en overgrootvader van mijn kinderen.

Deze grootvader was een stille held. Hij was in de Tweede Wereldoorlog burgemeester van een kleine gemeente in Overijssel en verzette zich intensief tegen de Duitse bezetter en het onrecht dat hij zag. In zijn gemeentehuis werden op grote schaal persoonsbewijzen vervalst en met voedselbonnen geknoeid. Zijn in het bos gelegen huis, De Groote Scheere, zat geregeld tjokvol onderduikers; mensen die de Arbeitseinsatz ontvluchtten, joden, verzetslieden, Franse, Britse en Poolse piloten. Overal in het huis waren luiken en verstopplekken. Nederlandse SS'ers hebben hem, samen met enkele van zijn ambtenaren, op 4 januari 1945 opgepakt. Hij is afgevoerd naar concentratiekamp Neuengamme. Enkele dagen voor de bevrijding is hij vanuit Neuengamme op een ziekentransport van twee of drie vrachtauto's naar Bergen Belsen gezet. Het is onduidelijk of hij daar is aangekomen of dat de zieken onderweg zijn vermoord (chauffeurs die met een volle auto in handen van de Engelsen vielen werden als oorlogsmisdadiger behandeld, chauffeurs met een lege auto volgens het normale oorlogsrecht). Hij is niet teruggekeerd. Zijn dood is nooit met zekerheid vastgesteld.

Zaterdagmiddag verzamelen we in de enorme eetzaal van het mooiste huis van Nederland. Het plafond is tien meter hoog. Ongeveer de helft van de aanwezigen is onder de twaalf. Op een enkele, met veel temperament krijsende baby na beseffen ze dat het een bijzonder moment is. De drie dochters spreken. Ik moet slikken. Het is niet eens mijn grootvader; wat ontroert zijn de drie zusters, vrouwen met kleinkinderen, achterkleinkinderen over een tijdje; een ervan is mijn schoonmoeder, een generatie die ik met `u' aanspreek, maar als ze daar staan, gedrieën, om eigenlijk vrolijk, in de geest van hun vader, hem te gedenken en zijn 100ste verjaardag te vieren, staan daar ineens drie kleine meisjes in hun mooiste jurkjes.

Het grote moment van de dag is als een van de negen kleinkinderen, Jacqueline Quarles van Ufford, het voor de familie bedoelde boek over haar grootvader presenteert: `Waarheen dat transport ging' met als ondertitel `Burgemeesterschap, arrestatie en verdwijning van mr S.W.A. baron van Voerst van Lynden'. Zij is, als eerste, want niemand had de tijd en de durf het te doen, in het archief over de verdwenen grootvader gedoken. Jarenlang heeft zij gewerkt om een beeld te krijgen van de grootvader die zij nooit gezien heeft, maar over wie zoveel verhalen bestonden. Veertig jaar lang is er naar hem gezocht – er waren geruchten dat hij nog in leven was en vastzat in Rusland. In de wirwar van verhalen en de onontkoombare mythe die rond een vermiste ontstaat, heeft zij het hoofd koel gehouden en steeds die geschreven bronnen gebruikt die het betrouwbaarst leken.

In de biljart- en de studeerkamer is voor de duur van het weekend een museum ingericht. In de hoek van de kamer staat zijn gala-uniform van de Gele Rijders. Op alle tafels liggen fotoboeken, krantenartikelen, brieven, schoolschriften, dankbetuigingen. Een heel leven kan hier gereconstrueerd worden. De vader, grootvader en overgrootvader is op zijn 100ste geboortedag meer aanwezig dan hij ooit zou zijn geweest als hij niet was verdwenen.

Een Hongaarse vriend van mij begon op zijn achtste een schriftje bij te houden met wijsheden. Een van de dingen die hij opschreef was dat we pas helder zien hoeveel iets waard is als we het moeten missen. Daarnaast noteerde hij de definitie van geluk: `Het besef van de waarde van iets terwijl we het niet hoeven te missen.' Na de schoolgijzeling in Ossetië zei een van de vrouwen uit Beslan: `We hebben nooit geweten hoe gelukkig we waren.'

De zwart-witfoto's van de tijdelijke tentoonstelling hebben de magische uitstraling van het interbellum. Op de jeugdfoto's ziet de grootvader er vrolijk en ontspannen uit, een aristocratische jongen met gevoel voor humor en ondeugende ogen. Je ziet hem schermend in het wit, daarna te paard als reserveofficier bij de Gele Rijders, in pak met een vriend met glaasjes balancerend op hun hoofd, picknickend, in elegante outfits. Dan zie je een echtpaar dat duidelijk grote liefde voor elkaar voelt. De huwelijksreis gaat naar Hongarije, langs een nichtje op het platteland in Somogye. (Zonder de autopech die zij dan oplopen, hadden wij nu niet hier gewoond.)

Achter een stuk glas op het bureau in de studeerkamer zit het laatste levensteken van Sam van Lynden, gedateerd 17 maart 1945. Het is een briefje dat hij uit de veewagen op weg naar het concentratiekamp heeft weten te smokkelen: `Liefste, we zijn op reis. Waarschijnlijk naar Duitsland. Het gaat me heel goed en ik ben vol vertrouwen. Wees moedig en sterk, speciaal met oog op het ongeboren kindje. Wees heel veel voor Illy en baby, maak het hun vrolijk en blij. Wij zijn heel veel samen op reis geweest. Ook nu ga je in gedachten met mij mee. Heel veel liefde, dank voor alles wat je voor mij deed, spoedig zien we elkaar weer.'