Zooveel breuk en brand

`Komt gij ons volk beschaven / gij die het land verwoest?' hoonde de dichter René de Clercq in 1915 – en het was duidelijk wie hij bedoelde: de Duiters die België waren binnengevallen om naar Frankrijk te kunnen oprukken. In de slotregels van zijn gedicht noemde hij hen zelfs met name: `Duitscher, ruk met uw horden / zwijgend over den Rijn / broeders willen wij worden / als ge weer mensch zult zijn.'

Het is één van de beste, scherpste teksten uit de bundel Het monster van de oorlog, een bloemlezing van liedjes en gedichten over de Eerste Wereldoorlog. Een jaar later bleek de inmiddels naar Nederland gevluchte De Clercq echter heel anders tegen het strijdperk aan te kijken. Nu gaf hij de Engelsen (`eng, eng, Engeland') de schuld: `Grijpland, nijpland, Engeland / steek schoon Vlaand'ren niet in brand / blijf van onz' steden, blijf van onz' dorpen / waar gij den haat en den honger zaait.' Eerlijk gezegd: het eerste gedicht was beter.

De reden van 's mans ommezwaai wordt door de drie samenstellers in het midden gelaten, hoewel die voor de hand lag: bij nader inzien meende De Clercq, net als heel wat andere Vlamingen, dat het Vlaamse nationalisme meer kans maakte onder het Duitse gezag dan onder de geallieerden, waartoe immers ook de gehate Fransen behoorden. Maar verder is op de annotaties in dit boek weinig af te dingen; de meeste teksten zijn zorgvuldig in hun context geplaatst.

Vooraf zeggen de bloemlezers dat Het monster van de oorlog geen keuze is uit het mooiste of het beste. Hun criteria waren niet literair, maar documentair. Het resultaat is een veelzijdig overzicht, waarin pakkende poëzie even veel recht van spreken heeft als het stoplappengerijmel van gelegenheidsdichters. Het schrijnende `De hemel viel op aarde in stukken' van Theo van Doesburg staat naast de huisbakken manier waarop de snelschrijver Clinge Doorenbos de oorlog vertaalde: `Mijn tante is pro-Duitsche / mijn oom geallieerd / Die Wacht am Rhein die fluit ze / terwijl oom Marseilleert...'' En de dramatische ode van H. Marsman aan de Franse opperbevelhebber Joffre ( `nu is het goed, nu vond zijn ziel erbarmen') krijgt hier hetzelfde gewicht als de bombast van Jacob Israël de Haan: `Een jaar van oorlog en nog grijpt der volkren hart geen schaamte / voor zooveel breuk en brand.'

Tot de vele verrassingen die deze bundel te bieden heeft, behoren wat mij betreft ook de cynische uitval van de pro-geallieerde J.C. Bloem naar de pro-Duitse Aart van der Leeuw (`treflijk dichter, maar verrader / ja verrader van uw vader- / land, en vaderlandschen plicht') en de bloemrijke bewondering die de later zo brave burger Victor E. van Vriesland in 1919 voor het sovjetcommunisme had: `O Russische October – Omwenteling / waarvan de naam gezegd zal zijn door / alle tijden...'

Zo roept Het monster van de oorlog een levendig beeld op van de roerselen in het neutrale Nederland, dat dus toch op alle mogelijke manieren bij de Eerste Wereldoorlog werd betrokken. Al was het maar door het eveneens bezongen gebrek aan aardappelen en vlees. En door de aanwezigheid van Engelse soldaten, die volgens een anoniem liedje ongewenste gevolgen kon hebben voor menig meisje: `Ze had de Engelsche ziekte / die negen maanden duurt...'

Rob Kammelar, Jacques Sicking en Menno Wielinga (samenst.): Het monster van de oorlog. Nederlandse liedjes en gedichten over de Eerste Wereldoorlog. Nijgh & Van Ditmar, 368 blz. €22,50

    • Henk van Gelder