Verdriet van chocolade

De begaafdheid van de schrijver Edward van de Vendel is het meest zichtbaar in de gesprekken van zijn personages. De dialogen bij keukentafels en trapveldjes zitten vol oorspronkelijke en beknopte beeldspraak. In veelstemmige gesprekken schieten de zinnetjes heen en weer, maar houdt elke jeugdige en volwassene een eigen stem.

In Gloeiende voeten, het nieuwste boek van Van de Vendel, voert de tienjarige Claudio opvallend veel gesprekken. Hij praat honderduit met Jesse en Duiv, die hij aan het begin van het boek in zijn slaapkamer ontdekt. Jesse en Duiv zijn iets tussen jongens en mannen in, dragen witte jurken en hebben voeten die gloeien als `loeiheet ijzer'. Deze gejurkte `jongensmannen' – vermoedelijk de belichaming van de puberteit met de onzekerheid over volwassenheid en sekse-identiteit – zijn ontsproten aan het hoofd van Claudio. De gesprekken met hen zijn de weerslag van Claudio's verwarring en eenzaamheid.

De van oorsprong Braziliaanse moeder van Claudio is ooit geadopteerd door Nederlandse ouders, maar heeft onlangs haar biologische zuster ontdekt in New York. Moeder reist sindsdien vaak naar haar zuster Rosalia, maar heeft geen geld om haar gezin ook mee te nemen. Claudio's vader, een fotomodel met een wankele loopbaan, weet geen raad. De rijke adoptiefouders van moeder, bij wie het gezin uit geldgebrek is ingetrokken, voelen zich vooral gepikeerd door de hang van hun dochter naar haar `echte' familie. Claudio probeert wanhopig de wereld van Rosalia te verbinden met zijn eigen familie, die hij uiteindelijk op het vliegtuig naar New York wil zetten.

Van de Vendel diept deze worsteling van een tweede generatie adoptiekind uit met de thematische vraag: wat is echt en wat niet? Als zijn moeder een adoptiekind is, zijn de opa en oma op wie Claudio dol is wel zijn `echte' grootouders, vraagt Claudio aan zijn vader. Jesse en Duiv mogen dan hersenschimmen zijn, Claudio ziet hen lange tijd als echte vrienden. En als zijn moeder echt is, waarom is ze er dan niet?

In zijn eerdere – voortreffelijke – jeugdboeken wist Van de Vendel geladen onderwerpen volheid en vrolijkheid te geven door deze in te bedden in een scherp geobserveerde buitenwereld. De dagen van de blue grassliefde vertelt het prachtige verhaal van een tot mislukken gedoemde homoseksuele liefde tegen de achtergrond van een Amerikaanse jeugdkamp en van een Noorse voetbalclub. In Wat ik vergat worden de pogingen van een jongen om contact te maken met zijn demente opa verweven met de voorzichtig opbloeiende vriendschap van de jongen met een klasgenote en haar grote broer.

In Gloeiende Voeten kleedt Van de Vendel het thema `echt-niet echt' aan met een schooltoneelstuk en met het modellenbestaan van Claudio's vader. Claudio droomt van de rol van Aladdin of van Mohammed, de zoon van de sultan, maar wordt een van de veertig rovers. Het glanzende modellenbestaan dat vader `wereldberoemd' moet maken blijkt in werkelijkheid te bestaan uit oersaaie opnamesessies in een treurige studio.

Claudio's voorbereidingen op het toneelstuk leveren enkele aardige momenten op. Thuis kleedt hij zich even als Mohammed en zegt: `Ik ben de sultanszoon hier in dit wonderlijke rijk' – een zin die ook aangeeft hoe hij zich voelt in zijn grootouderlijk huis na het vertrek van zijn moeder. Hij blijft in die rol als zijn moeder belt uit New York, als wraak voor haar afwezigheid. Wat ontbreekt zijn observaties over het toneelstuk op school, zoals ook de modellenwereld maar zeer zijdelings wordt beschreven.

Op een enkel uitstapje na speelt het hele verhaal zich namelijk thuis af. Daar vraagt Claudio zich in innerlijke monologen vaak af wat echt is – de vraagtekens zijn nauwelijks te tellen. Daar voert hij zijn gesprekken. Niet alleen met Jesse en Duiv, ook met zijn vader, zijn moeder, zijn opa en oma, Madeleine, de moederlijke hulp van opa en oma, en Rosalia die uiteindelijk naar Nederland is gekomen – en al deze mensen voeren ook onderling gesprekken.

Deze monologen en gesprekken, die het boek moeten dragen, missen de gebruikelijke brille van Van den Vendel. Was de toon in zijn eerdere jeugdboeken soms een beetje te jofel, de vlotte babbels van Jesse en Duiv ontaarden in een popie-jopietaaltje. De andere personen praten vlak – moeder die zegt: `Ik kan niet meer met oma praten' – en komen daardoor nauwelijks uit de verf.

Alleen Claudio's tobbende vader krijgt kleur in gesprekjes. Nadat Claudio heeft gesnoept van de `chocoladezoenen' die zijn moeder heeft meegebracht, zitten zijn wangen vol vegen. `Ik huil niet', zei hij, `dat komt van de kisses. Het is niet echt.'

`Ja ja', zei papa, `chocoladeverdriet. Amerikatranen.' Die woorden staan onbedoeld voor dit hele, weinig overtuigende boek: chocolade-emoties, chocoladeverwarring.

Edward van de Vendel: Gloeiende voeten. Querido, 133 blz. €12,50

    • Karel Berkhout