`Nomaden kunnen zwijgen'

Galsan Tschinag uit Mongolië is stamhoofd, sjamaan en schrijver. Schrijven doet hij in het Duits.

Zijn reis was lang en zwaar. Op dag vijf een vlucht van Berlijn naar Frankfurt, dat duurde maar een uur. Op dag vier een vlucht van Ulan Bator naar Berlijn, dat duurde haast tien uur. Op dag drie een vlucht van de districtshoofdstad naar Ulan Bator, dat duurde goed vijf uur. Op dag twee per auto naar de districtshoofdstad, dat duurde ook vijf uur. En op dag één een tocht van acht uur helemaal te paard.

Galsan Tschinag komt uit de Mongoolse steppe. Achter de besneeuwde toppen van de hoge Altaj begint zijn vaderland. Een nomade is hij. En stamhoofd, sinds een jaar of dertig. Zijn volk leeft van beesten. Het vlees, de melk, de huid, de botten en de wol van schapen dient er als basis voor bijna al wat nodig is in het dagelijks bestaan. De naar wind en dieren ruikende Toewa staan in Mongolië niet hoog aangeschreven. Ze zijn er het laagste van het laagste.

Dat beeld corrigeert Galsan Tschinag in zijn boeken. Onvermurwbaar dwingt hij respect af voor de nomadische manier van leven en hij dwingt met stijl. In een taal die mijlenver van de ervaringswereld van de steppe afstaat. Galsan Tschinag schrijft in het Duits. Hij leerde het in Leipzig, waar hij in de jaren zestig met een beurs germanistiek studeerde dankzij de broederschap tussen de Volksrepubliek Mongolië en de DDR. En nu kunnen de germanisten van hèm leren. Van zijn wonderbaarlijk heldere en geraffineerde Duitse taal, vol plastische beelden, grandioze natuurschilderingen, gewaagde woordbouwsels en eigenwijze poëzie. Twintig boeken heeft deze uit vreemde vertes de Duitse literatuur binnengewaaide nomade nu al op zijn naam staan. Zijn jongste roman, Das geraubte Kind, blaast een oude sage nieuw leven in.

Het is een geschiedenis die zich in de eerste helft van de achttiende eeuw heeft afgespeeld. Mandsjoe-keizers proberen de Toewa onder controle te krijgen. Zij laten, volgens de overlevering, de zevenjarige weesjongen Hynndynn ontvoeren die ze zeven jaar lang door heropvoeding grondig met hun cultuur vertrouwd maken. Aan de zijde van een mooie prinses sturen zij de veertienjarige als Chinese vorst naar zijn vaderland terug. Hynndynn moet nu op zijn beurt zijn volk heropvoeden, om het bij het Rijk van het Midden in te voegen. Maar de jongeman heeft zich niet van zijn wortels verwijderd en uiteindelijk leidt hij de opstand tegen de Chinese bezetters.

,Tweeëndertig jaar geleden heb ik dat verhaal neergeschreven'', zegt Tschinag op een terras bij zijn Frankfurtse hotel, waar hij logeert in afwachting van een redevoering die hij moet houden. ,,Er bestond toen geen hoop dat het nog tijdens mijn leven gedrukt zou worden. Alles borg ik op in mappen. En op deze map had ik gezet: Te openen in het jaar 2072. Toen kwam de Wende en mijn boeken konden verschijnen en wel in het westen, in de Duitse taal. Er kwam nog iets anders bij: elf september. En ik herinnerde me dat ik al eens over zoiets had geschreven. Want die roman van mij gaat over de grootste zelfmoordaanslag van de Toeweense geschiedenis. Hynndynn maakte op spectaculaire wijze een eind aan zijn leven om het verzet tegen de Chinezen op gang te brengen. En dat werd een bloedbad.''

Brilletje

Tschinag zet zijn brilletje af en slaat zijn ogen neer. ,,In de eerste versie maakte ik van de aanslagpleger een held. Al mijn sympathie was aan zijn kant. Ook nu is mijn sympathie aan de kant van Hynndynn, maar aan het eind veroordeel ik de aanslag, omdat geweld alleen maar geweld voortbrengt. Daarom zou ik de geschiedenis van onze voorouders dom willen noemen. Maar niet alleen wij zijn dom, de hele mensheid is dom, omdat ze nooit leert, nooit.''

Hoe híj de zaak zou hebben opgelost? ,,Ik weet het niet. Maar de historische oplossing was fout. Ons grote territorium is voortdurend doelwit geweest van vreemde overvallen en wij hebben de Heimat steeds heldhaftig verdedigd. Ook vrouwen en meisjes konden meevechten, konden kleine nomadische Brünhildes worden. Wat heeft het ons opgeleverd? We zijn al vechtend gedecimeerd. Misschien hadden we ons minder moeten afzonderen, hadden we bondgenootschappen moeten sluiten. Dan hadden we niet zo alleen gestaan.''

De schrijver uit de steppe maakt vrienden met zijn boeken, maar bij een fysieke ontmoeting heeft hij de neiging om te provoceren. Hij weigert zich aan sommige westerse gebruiken te conformeren. Zo glimlacht hij zelden of nooit. ,,Dat gelach van jullie'', zegt hij koppig, ,,vind ik hypocriet.'' Tegenover de starheid van zijn mimiek staat de expressiviteit van zijn geschreven taal. De vraag is in hoeverre die op de schriftloze taal van de Toewa lijkt. Drukken zij zich, omdat ze op mondelinge berichten zijn aangewezen, krachtiger uit dan niet-nomaden ? ,,Hier met die e-mail-mogelijkheden, met al die reclame gaat men slonzig met de taal om'', vindt Tschinag. ,,Ja, zelfs schandelijk. De mensen hier hebben geen gevoel voor het woord. Wij nomaden hoeven niet te praten. Wij kunnen lang zwijgen en als we iets zeggen zeggen we het beeldend. Want de taal is het hart van onze cultuur en daar zijn we zuinig op.''

Uitgerekend een buitenstaander als hij probeert het hart van de Duitse cultuur te redden. ,,De Duitse taal is bijna overal verworden tot een onsmakelijke Amerikaans-Duitse woordsalade. Men onderwerpt zich aan de cultuur van de grootmacht en likt haar kont. Volkeren die ten onder gaan doen dat altijd. Maar ik wil niet dat het Duitse volk ten onder gaat, ik vecht voor de zuiverheid van de Duitse taal. Bij mij vind je geen stompzinnige anglicismen.

,,Omdat mijn personages een leven leiden zoals jullie heel lang geleden, wil ik er zo archaïsch mogelijk over vertellen. Alsof er een Duitse Klassiker was opgestaan die nieuwe boeken schreef.'' Hij doet dat uit dankbaarheid jegens Goethe, en ook jegens Mozart en Rembrandt. ,,Dat de een een Oostenrijker is, de ander een Duitser, de derde een Hollander; dat heeft voor mij geen betekenis. Het zijn allemaal kinderen van het Germanendom. De Germanen waren een oud sjamanenvolk. Maar toen kende men dat woord nog niet, toen zei men `heidendom'. De heidenen werden bloedig neergeslagen en wij Toewa leven tweeduizend jaar later precies zoals de Germanen destijds.''

Om maar een voorbeeld te noemen: ,,De negen. Dat was voor de Germanen een magisch getal. Net als bij ons. Erachter zit een fundamentele astrologische wet. Het zonnestelsel bestaat uit negen planeten. Dat wisten de oude Germanen en dat weten wij. En voor mij zijn Goethe en Rembrandt en Mozart niet zozeer als schrijver, schilder en componist belangrijk. Voor mij zijn deze mensen vooral grote sjamanen. Goethes Faust, de Walpurgisnacht: dat is je reinste sjamaanse heksenkeuken.'' Vanwege het contact met gene zijde? ,,Natuurlijk! Goethe hééft niet aan het einde, aan de dood geloofd. Hij gebruikte het woord metamorfose. Ook wij geloven aan de verandering in iets anders. Het lichaam moet vergaan maar de ziel blijft. Waarom fascineert Rembrandt de mensen zo? Omdat uit het zwart, de oerkleur, een sprankje licht opduikt, een vlammetje, een geest.''

Onwijze tijden

Met de held in zijn nieuwe roman deelt Tschinag de ervaring dat het sjamanendom de kop in werd gedrukt. De Mongoolse Volksrepubliek voerde een minderhedenvijandige politiek naar Sovjetrussisch voorbeeld en de gevolgen daarvan kreeg Tschinag te voelen op school. Die moest van achterlijke animisten vooruitstrevende proletariërs maken en net als Hynndynn mocht Tschinag zijn moedertaal niet spreken en zijn Toeweense naam niet houden. ,,Weet je wat mijn echte naam is? Irgit Schynykbai-oglu Dschurukuuwaa! Door het oude eruit te stampen wilden de Mongoolse schoolmeesters ons aan hen onderwerpen.'' Heeft hij dan niets goeds op school geleerd? ,,Leren is altijd goed. Wij zijn niet tegen vooruitgang. Niet tegen de Verlichting. Maar je mag een scholier niet behandelen als een met kennis te vullen hol vat. Kennis moet wijsheid zijn. En wijsheid leer je door steeds terug te gaan naar je eigen leven.''

Dat leven kent ook onwijze tijden, tijden van razernij. Tschinags alter ego in de autobiografische roman Der weisse Berg ligt met zichzelf overhoop. Dschurukuuwa verkracht een vriendinnetje en haat zichzelf daarom. Had het innerlijke conflict van de jongen in Das geraubte Kind niet net zo scherp aangezet kunnen worden? ,,Nee, want Hynndynn heeft een historische roeping als leider van zijn volk. Dschurukuuwa is alleen maar de held van zijn familie. Een sjamaan in wording, een waanzinnige.'' Negen jaar geleden voerde Tschinag zijn stam van Centraal-Mongolië, waarheen het tijdens het communisme gedeporteerd was, naar de Hoge Altaj terug. Een volksleidershoogstandje. Toch zegt die leider met kennis van zaken: ,,Een sjamaan is altijd gek. Hij is net als Mozart: allesbehalve hoogintelligent en ongelooflijk labiel. Elke kunstenaar is op zijn eigen manier geschift.''

Huizen er dan twee zielen in Galsan Tschinags borst: een volksleider en een sjamaan – een heldere geest en een waanzinnige? ,,Nee'', en nu lacht hij eventjes, ,,in mijn borst huizen dríe zielen. Ik ben immers ook dichter. Dichter zijn is een talent. Sjamaan zijn is je noodlot. Daar kun je je lol mee op.''

`Das geraubte Kind' verscheen bij het Insel Verlag (€24,90). In het Nederlands zijn drie van Tschinags boeken bij Meulenhoff uitgebracht.