Kansen door de kloof

Wat betekent het als de Verenigde Staten en Europa steeds verder uit elkaar groeien? Uit een onderzoek van het German Marshall Fund of the United States, een Amerikaanse instelling die de betrekkingen tussen de VS en Europa bevordert, valt op te maken dat de transatlantische kloof groter wordt. Europeanen en Amerikanen denken zeer verschillend over zaken die de veiligheid en het buitenlands beleid betreffen. De peiling toont aan dat 76 procent van de Europeanen ontevreden is over het buitenlands beleid van president George W. Bush. Velen in Europa zouden liever de democraat John Kerry dan zijn Republikeinse rivaal en hardliner Bush als president van Amerika hebben. Deze aandoenlijke vorm van wensdenken ontkent de Amerikaanse realiteit van dit moment. Het is voorlopig onwaarschijnlijk dat Bush bij de presidentsverkiezingen op dinsdag 2 november verslagen wordt. Daarvoor zit hij te stevig in het zadel, hoewel er in zeven weken tijd nog veel kan gebeuren en Kerry bewezen heeft over een goede eindsprint te beschikken.

Het is wel begrijpelijk dat Europa massaal voor Kerry kiest. Hij komt wellicht sympathieker over, heeft gezegd dat hij de oude vriendschapsbanden wil herstellen en wekt de indruk namens Amerika minder unilateraal te zullen optreden. Juist daar zit de pijn. Al onder de Democratische president Clinton zijn de VS begonnen met het inbrengen van een sterke eenzijdigheid in hun internationale politiek. Bush maakte, mede onder druk van `9/11' en later de oorlog in Irak, een einde aan het multilateralisme zoals dat sinds de Tweede Wereldoorlog werd gepraktiseerd. In het buitenlandse beleid van de VS prevaleerde uiteraard het eigenbelang, maar daarnaast koesterden Amerikaanse presidenten de transatlantische relatie. Bush brak met die traditie. Nooit eerder stonden Amerika en Europa zo ver van elkaar af als in de aanloop van de Irak-oorlog. Frankrijk en Duitsland namen openlijk afstand van de Amerikaanse oorlogspolitiek; de VS sloegen hard terug door te verklaren dat hier het `oude Europa' aan het woord was. Een crisis dreigde voor de NAVO, het Atlantisch bondgenootschap op defensiegebied, en de Europese afkeer jegens Bush groeide.

Inmiddels zijn de verhoudingen genormaliseerd, hoewel het wederzijds wantrouwen niet geheel verdwenen is. Europa en de VS delen zoveel gemeenschappelijke waarden – van economie tot religie, van taal en cultuur tot politiek – dat ze nog lang verbonden zullen blijven. Het begint wel steeds meer een verstandshuwelijk te worden. Het toeven mèt elkaar gaat soms wat moeizaam, maar zònder elkaar is onverstandig en in feite ondenkbaar. Overigens is het een illusie te veronderstellen dat het ooit weer wordt zoals het was. Ook onder een Democratische president moet Europa rekening houden met een blijvend gewijzigde buitenlandse politiek van Washington.

Die verandering van koers biedt de EU de gelegenheid na te denken over de eigen machtsstatus. Uit de enquête van het Marshall Fund blijkt dat 71 procent van de Europeanen wil dat de Europese Unie een supermacht wordt. Maar niet iedereen wil daarvoor betalen: slechts 47 procent is bereid meer geld aan defensie te besteden. Een gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid blijft het stiefkind van het Brusselse overleg. Er is geen gebied waarop de EU door interne verdeeldheid zo onmachtig is als dit. De transatlantische onthechting werpt de landen van de Unie op zichzelf terug, bedreigingen en kansen scheppend. Als Europeanen niet meer onder de Amerikaanse paraplu kunnen schuilen, zijn ze tot elkaar veroordeeld.