Journalistieke keuzes zijn niet waardevrij

Het verhaal `Oorlog tussen pers en politiek' in M van afgelopen weekeinde gaat als een nachtkaars uit. Dat is niet de verantwoordelijkheid van de auteur, Gerard van Westerloo, en zegt niet veel over het belang van zijn als reportage opgezette beschouwing. De verantwoordelijke staatssecretaris blijkt intussen het mes te hebben opgeborgen dat bestuurders en hun adviseurs de afgelopen tijd op de borst van de media hadden geplaatst. Reden tot geruststelling? Allerminst. Wat Van Westerloo bij vooraanstaande journalisten en kritische `mediawatchers' heeft gehoord rechtvaardigt misschien niet de term oorlog die term wordt te pas en te onpas gebruikt maar noodzaakt wel tot waakzaamheid tegen pogingen tot knevelarij door zich niet serieus genomen gevoelde bestuurders en hun ambitieuze raadgevers.

In het artikel valt een aantal keren de term hype, in de zin van mediahype. Bekende voorbeelden passeren de revue, een gewezen Rotterdamse burgemeester, een weggestuurde Amsterdamse wethouder. De ondervraagde journalisten wekken de indruk daarover enigszins gegeneerd te zijn. Een van hen spreekt zelfbeschuldigend van het papegaaiencircuit. Mij schoot een voorbeeld van het omgekeerde te binnen. In het voorjaar van 1980 werd New York getroffen door een staking die het openbare leven langdurig lam legde. De New York Times wijdde er pagina's aan. Voor de Washington Post was het bericht een eenkolommer waard.

In Nederland, rijk voorzien van media, is zoiets ondenkbaar. Lezer, luisteraar en kijker mogen de verwachting koesteren op de hoogte te worden gebracht van wat op een bepaalde dag op die relatief luttele vierkante kilometers als wetenswaardig te berde wordt gebracht. Als iedereen een paar dagen lang over eenzelde onderwerp bericht, noem dat dan niet onmiddellijk een hype. Nederland kent nauwelijks echte regionale of lokale media. Ook al bestrijken ze een begrensd gebied, hun nieuwsterrein is ten minste nationaal.

Dat brengt me op de bestaansreden van de media. Een van de gevraagde journalisten zegt: ,,Als pers zijn wij op aarde om daar (de arrogantie van de overheid/JHS) doorheen te prikken, om de overheid voortdurend te controleren.'' Dat is een wijdverbreide gedachte onder vakgenoten. Je zou het ook iets terughoudender kunnen zeggen. Als journalist geef je weer waarvan je veronderstelt – wat kranten betreft gelouterd door generaties overbruggende ervaring met het lezerspubliek – dat jouw afnemer daarin is geïnteresseerd.

Toch: voormalig hoofdredacteur van NRC Handelsblad Wout Woltz heeft eens in een gedenkwaardige rede de stelling verdedigd dat het publiek, soms ook het wetenschappelijke en artistieke, bepaalde dingen niet wil weten, zoals, in zijn voorbeeld, dat de eeuwenlang doorgegeven en getekende informatie niet klopte dat een neushoorn nog een hoorn op zijn rug heeft. De lezersrubriek en de telefoons ter redactie leveren van dit verschijnsel vrijwel dagelijks bewijzen. Soms zelfs komt de journalist in het kruisvuur terecht van overheden die op hun geheimen zitten en een publiek dat de onthulling daarvan afwijst. In de Lockheed-affaire, de geheime donaties aan prins Bernhard door de Amerikaanse vliegtuigfabriek, was dat lange tijd het geval.

In de categorie taboe is er meer. Begin jaren '60 voorkwam een hoofdredacteur dat ik een uit de toen eerbiedwaardige Londense Times overgenomen bericht plaatste over de op dat moment tot wasdom komende geboorteregelingspil. Al die middelbare schoolmeisjes met zo'n pil, daar kwam maar ellende van, vond hij. Dat was dus anticiperen op wat de lezer niet zou willen weten. De hoofdredacteur dacht waarschijnlijk vooral aan de ouders en minder aan hun tienerdochters. Maar goed, die ouders betaalden het abonnement.

Verreweg het belangrijkste deel van het verhaal van Van Westerloo gaat over de toenemende onmogelijkheid nog behoorlijk en indringend over bestuurlijk Nederland te berichten. De overheden verschansen zich achter de stelling dat als zij niet zelf de voorlichting ter hand nemen, er niets van terechtkomt. Gronings burgemeester Wallage: ,,De pers gedraagt zich als een dronkeman die telkens de verkeerde steeg in wankelt.'' Minister Donner in een toespraak tot de leden van een 120-jarige, de Nederlandse Vereniging van Journalisten: ,,Dames en heren van de pers, uw berichtgeving schept een eigen wereld die de echte wereld verdringt.'' Dat is per definitie een autoritaire uitspraak, want wie bepaalt wat de echte wereld is?

Tot de echte wereld die NRC Handelsblad wil beschrijven, behoort de wijze waarop Nederland zich met de bezetting van Irak heeft ingelaten. Hoofdredacteur Folkert Jensma tegenover Van Westerloo: ,,Via het apparaat van de minister krijgen we te horen dat geen enkel stuk meer naar de NRC mag.'' Jensma vertelt dat met hulp van de Wet openbaarheid van bestuur verkregen materiaal grotendeels onleesbaar is gemaakt.

Op zijn minst is dit onverstandig van het apparaat van de minister, want de betrokken verslaggever zal vervolgens al zijn kennis, ervaring en volharding in het werk stellen om buiten dat apparaat om de werkelijkheid te achterhalen. Journalistiek is niet plaatsgebonden. Klaas de Vries zegt: de pers kiest zijn eigen prioriteiten. Inderdaad: Without fear or favor.

Wat betreft de werkelijkheid in het algemeen: In Nederland begint veel in `Den Haag', de stad van de onderzoeksresultaten, de geheime rapporten en de gelekte en gelikte plannenmakerij. Die stad trekt als bestuurlijk centrum van het land vanzelfsprekend journalisten aan als een lamp de motten. Een aantal verbrandt er dan ook zijn vleugels. Intussen: er is alles voor om de Haagse werkelijkheid het volle pond te geven. Laat die werkelijkheid niet meteen verdwijnen achter `de reacties'. In de zelfopgelegde dwang `nieuws' te leveren dreigt het nieuws van de tweede categorie, van het vervolg, voortdurend het eerste nieuws te verdringen, te overvleugelen. De reactie haalt de zwaarste kop op de voorpagina, de eigenlijke opening staat in de tweede alinea. Het is een oud punt en jarenlang getrommel daarop heeft niet geholpen.

Den Uyl zei het al: het openingsartikel op de voorpagina van de krant en de overlijdensadvertenties zeggen mij meer over waar de krant staat dan het commentaar binnenin. Hij gaf zo aan dat journalistieke keuzes niet waardevrij kunnen zijn. Laten we dat dan maar toegeven. Er is niks mis mee. Nog eens Jensma: ,,Wij zijn er voor iedereen. Maar wij zijn van niemand.'' En wij zijn onszelf, had hij kunnen toevoegen. Publish and be damned, was eens de ongenaakbare slogan bij de Times van New York.

J.H. Sampiemon is oud-redacteur van NRC Handelsblad.

www.nrc.nl/opinie

artikelen Gerard van Westerloo en Ton Planken