Jaan Kross probeert eerlijk te zijn

Begin oktober wordt bekendgemaakt wie de Nobelprijs voor Literatuur krijgt. Welke taal is aan de beurt? Na het Nederlands en Turks ons derde voorstel: het Ests.

Dit verhaal speelt in Tallinn. Een jongen van 19 wordt verliefd op een meisje. De prille liefde verflauwt als de moeder van het meisje de jongen, tegen de verwachting in, onmiddellijk in de boezem van de familie dreigt te sluiten. Hij krijgt het benauwd, ook zij neemt een ander. Het is eind jaren dertig, er komen onheilspellende berichten uit Duitsland, en sovjettroepen verkennen legerbases in Estland, voorbode van het geheime vriendschapsverdrag tussen Duitsland en de Sovjet-Unie, dat later als het Molotov-Ribbentroppact de geschiedenis in zal gaan.

Een jaar later ontmoet de jongen de broer van zijn liefde, die hem uitnodigt voor een afscheidsdiner met zijn zus. De familie heeft haar Duitse wortels ontdekt en gaat zich inschepen op een van de grote oceaanstomers die Hitler naar Estland heeft gestuurd om de Duitsers heim ins Reich te krijgen. De jongen is ten prooi aan tegenstrijdige gevoelens: verbazing over hun krankzinnige beslissing, woede over het verraad, heimwee naar hun verhouding, afgunst op de tientallen Duitse jongens die haar `de knieën zullen kussen'. Het dineetje eindigt dramatisch: het meisje komt ten val en sterft een dag later aan de gevolgen van een tetanusinjectie. De broer vertrekt zonder haar.

De wond, een kort verhaal uit de bundel The Conspiracy & Other Stories (1995), is een echte Jaan Kross: een lichte, bijna terloopse toon, een liefdesgeschiedenis tegen de achtergrond van grote, historische gebeurtenissen, kleine of grote morele kwesties die onnadrukkelijk door het verhaal geweven worden. De mens is een speelbal van de geschiedenis, maar heeft wel degelijk de vrijheid om zijn eigen keuzes te maken. Of Kross het nu beperkt houdt tot 35 bladzijden, zoals in De wond, of laat uitdijen tot de 1.500 bladzijden dikke historische roman Het leven van Balthasar Rüssow, dit zijn de ingrediënten en ze worden subtiel verwerkt. Het is de onnadrukkelijkheid die zijn boeken zo goed maakt.

`Esten houden niet van grote woorden, van heldendom. Wij hebben het niet getroffen, klimatologisch niet, historisch niet. Dat vormt je nationale karakter.' Dat zei Jaan Kross (84) begin dit jaar, toen ik bij hem op bezoek was in Tallinn. Op mijn vraag of hij nog rekende op de Nobelprijs, wuifde hij glimlachend met zijn hand. Het interesseerde hem werkelijk geen fluit.

Viltlaarzendroger

Jaan Kross was een laatbloeier, maar heeft een flink oeuvre op zijn naam staan. Hij begon in de jaren '50 als dichter en schreef de afgelopen halve eeuw 12 romans, een reeks korte verhalen en een essaybundel. En tijdens mijn bezoek aan Tallinn lag het eerste deel van zijn memoires, Kallid kaastelised (Dierbare reisgenoten), in grote stapels in de boekwinkels. Kross is de beroemdste levende Estse schrijver. Veel van zijn werk is in het Duits en Engels vertaald. De drie in het Nederlands vertaalde titels, De gek van de tsaar, Het vertrek van professor Martens en De kring van Mesmer, hebben het volgens uitgeverij Prometheus slecht gedaan. De boeken zijn niet meer te krijgen, maar De gek van de tsaar komt opnieuw uit.

Dat Kross zo laat debuteerde, had een simpele reden: hij woonde van 1946 tot 1954, dus van zijn 24ste tot zijn 32ste, in de Sovjet-Unie. Vier jaar strafkamp in Inta en vier jaar in ballingschap, zoals veel van zijn landgenoten. Hij schopte het in het kamp tot viltlaarzendroger, een begeerde, want warme plek bij de kachel. Pas in 1954, na de dood van Stalin, keerde hij met duizenden landgenoten uit Siberië terug naar Estland.

Kross bestrijkt in zijn boeken zo ongeveer de hele geschiedenis van dit anderhalf miljoen zielen tellende volkje met de onverstaanbare taal, die verwant is aan het Fins en het Hongaars. Een boerenvolk dat eeuwenlang klem heeft gezeten tussen Denen, Duitsers en Russen. Estland is maar twee keer in zijn geschiedenis kortstondig onafhankelijk geweest. Van 1918 tot 1940, grotendeels onder het autoritaire, semi-fascistische leiderschap van Konstantin Päts. En sinds 1991, toen de Sovjet-Unie uiteenviel. Op 1 mei van dit jaar trad de republiek als nieuwe democratie toe tot de Europese Unie.

De afgelopen tien jaar kon Kross dus schrijven wat hij wilde, maar ook in de jaren daarvoor heeft de censuur hem, afgaande op zijn boeken, nooit echt gehinderd. Door de geschiedenis in te duiken, kon hij zijn morele dilemma's uitstekend onder woorden brengen. Hij putte daarbij vaak uit zijn eigen ervaringen. In De kring van Mesmer beschrijft hij zijn studentenjaren op de rechtenfaculteit in Tartu. Het verhaal begint in 1938, als de studenten rebelleren tegen het autoritaire bewind van Päts. Na de inval van de Duitsers in 1941 wordt de ik-figuur, net als Kross zelf, gearresteerd wegens zijn contacten met de Estse regering in ballingschap in Londen. En in Opgravingen is de hoofdpersoon een man die na 8 jaar Siberië in 1954 terugkomt naar Tallinn en zijn leven probeert te hervatten. Hij krijgt een baantje bij een archeologische opgraving en vindt een spectaculair manuscript dat de geschiedenis van Estland in een ander daglicht stelt. Die interpretatie zou door de sovjetautoriteiten als staatsgevaarlijk kunnen worden aangemerkt. De literatuurprofessor die hij het manuscript voorlegt – ooit stevig aan de tand gevoeld door de politieke politie – wordt bijna hysterisch als hij de politieke portee van de vondst tot zich laat doordringen. En schopt de verbaasde hoofdpersoon het huis uit.

Hofkringen

In eerdere romans ging Kross dieper het verleden in, maar ook in die boeken zijn duidelijke raakvlakken met de twintigste-eeuwse totalitaire samenleving. In De gek van de tsaar (1978) schrijft een negentiende-eeuwse Baltisch-Duitse edelman die is opgeleid in Petersburgse hofkringen, een vlammende open brief aan tsaar Alexander I. Hij wordt daarvoor negen jaar in de Russische vesting Schlüsselburg opgesloten. Hij wordt krankzinnig verklaard: alleen een gek neemt de handschoen op tegen de Russische machthebber. Als hij vrijkomt, leeft hij met zijn gezin in ballingschap op zijn landgoed in Estland. Een vluchtpoging mislukt.

En ook Het vertrek van professor Martens (1984) gaat over de vraag: collaboratie of verzet. De roman is een lange monologue intérieure van een Estse professor volkenrecht, tijdens een treinreis van Pärnu naar St. Petersburg. Het boek speelt zich af aan het begin van de vorige eeuw. Estland is een provincie van het Russische keizerrijk. In dienst van het Russische ministerie van Buitenlandse Zaken schreef de professor briljante verdragsteksten, conventies en juridische rechtvaardigingen voor demarches van de Russische regering. Aan het eind van zijn leven vraagt de Est zich af of hij zijn ziel niet aan de duivel heeft verkocht in ruil voor professionele bevrediging. Het is een afweging die Kross zelf ook gemaakt moet hebben toen hij besloot zijn vak vaarwel te zeggen omdat het volkenrecht in Sovjet-Estland toch geen bestaansgrond meer had.

Dit mag allemaal zwaar moralistisch klinken, maar de kracht van Kross' boeken is nu juist dat hij laat zien dat dit soort dilemma's vaak beslist worden door alledaagse en prozaïsche afwegingen, ingegeven door toevallige gebeurtenissen in iemands persoonlijk leven, een liefde, een ziekte. In ons gesprek zei Kross: ,,Na een paar boeken van mij zou je de indruk kunnen krijgen van een halfverstopte missie, maar ik heb dat idee zelf nooit gehad. Ik geloof dat ik tot de zoekers hoor. Ik heb weinig met richtlijnen. Ik probeer eerlijk te zijn en dat is al moeilijk genoeg.''

Verduitst

Kross' magnum opus is het vierdelige Leven van Balthasar Rüssow (1970-1980), dat met zijn 1.500 bladzijden te zwaar is voor de Nederlandse markt. Het boek speelt in de zestiende eeuw en de hoofdpersoon heeft echt bestaan. Estland werd bestuurd door Duitse baronnen die de Estse boerenbevolking `die Grauen' noemden en hun taal de `Grausprache'. Het is het levensverhaal van de Estse voermanszoon Pall Rissa, die opklimt tot pastor van de kerk van de Heilige Geest, een prachtig witgestuct kerkje, dat inmiddels keurig gerestaureerd is. Zoals gebruikelijk in die tijd verduitste hij zijn naam tot Balthasar Rüssow, maar in het geheim schreef hij zijn Kroniek van Estland, de eerste geschiedenis van het land, gezien vanuit het Grauvolk. Het manuscript smokkelde hij het land uit. Hij liet het drukken in Rostock, waarna het in verzegelde vaatjes per schip terugkeerde naar Tallinn. De Raad van Reval (de oude benaming van Tallinn) liet er bij de douane direct beslag op leggen. Rüssows leven speelt zich af tegen de achtergrond van oorlogen, boerenopstanden tegen de Duitsers, pestepidemieën, liefde, geboorte en dood. Het zal niet iedereen gegeven zijn de Duitse (uitstekende) vertaling van begin tot eind uit te lezen, maar wie de moeite neemt, ontdekt een verbazend moderne historische roman over een onbekende uithoek van Europa die doet denken aan het verlaten Pommeren van Theodor Fontane.

,,Misschien ben ik wel een gemankeerde historicus'', zei Kross eind vorig jaar in Tallinn op mijn vraag waarom hij steeds voor historische onderwerpen kiest. ,,Het was een manier om de censuur te omzeilen en tegelijkertijd de geschiedenis van Estland te reconstrueren.'' Daar is hij heel goed in geslaagd.

Eerdere afleveringen en volledige lijst Nobelprijswinnaars via www.nrc.nl

    • Laura Starink