Horen we dat niet al dertig jaar

Het einde van de olie is in zicht, meent Paul Roberts. Dat zal leiden tot politieke en militaire conflicten en onrust voor de consument. En dan zijn de Chinezen er nog.

Op 10 januari 1901, rond halftien in de ochtend, eindigde het kolentijdperk en begon de glanstijd van de olie. Op die dag, even buiten Beaumont, Texas, op een heuvel met de naam `Spindletop' was Al Hammill net weggelopen van de boorput om zijn broer Curt te vertellen dat ze tevergeefs naar olie boorden. Hij had het mis. Er klonk een enorme explosie en met luid geraas spoot een dikke wolk methaangas naar boven, gevolgd door een zuil van olie en aarde die ruim honderd meter hoog kwam.

De broers dansten door de zwarte regen. Er was hier wel degelijk olie, en veel ook. Spindletop zou al snel honderdduizend vaten per dag gaan produceren, meer dan alle andere olievelden samen die op dat moment in bedrijf waren.

Het verhaal wordt naverteld in The end of oil van Paul Roberts. Ondanks het amusante voorval op die heuvel in Texas is het geen vrolijk stemmend boek. De schrijver, een journalist die regelmatig over grondstoffen schrijft voor Harpers Magazine, mag zijn betoog graag larderen met levendige voorbeelden zoals dat van de gebroeders Hammill, maar de teneur van het boek is somber: het `einde van de olie' is namelijk in zicht.

Roberts neemt de lezer mee van het eerste gebruik van energievormen, via de ontdekking van kolen, naar olie en gas. Hij beschrijft hoe de mensheid steeds meer een mondiale petroleumeconomie heeft ontwikkeld, die volledig afhankelijk is van olie en oliegerelateerde producten. Binnen een aantal jaren zal die een grens bereiken en zal het aanbod niet meer voorzien in de vraag naar olie, meent Roberts. De resterende olie zal bovendien voor het grootste deel afkomstig zijn uit zeer instabiele landen die het Westen niet goed gezind zijn. De consument heeft hier intussen geen besef van, en consumeert steeds meer. Kortom, de huidige energie-economie is volgens Roberts aan het instorten, terwijl er onvoldoende wordt gewerkt aan brandstoffen die olie kunnen vervangen. De overgang van het olietijdperk naar een nieuwe economie kan verlopen via consensus, of door agressie, aldus Roberts.

Wanneer de olievoorraad op zal zijn, wordt al decennialang gevraagd en een antwoord blijkt zeer moeilijk. Volgens prognoses van enkele tientallen jaren geleden – de `grenzen aan de groei' van het Rapport van Rome – had de wereld nu al bijna zonder petroleum moeten zitten, een pessimistische voorspelling die niet is uitgekomen. Roberts gelooft dat de wereldwijde piek in de productie – waarna het aanbod dus zal dalen – binnenkort zal worden bereikt. Maar wanneer precies, vindt ook hij moeilijk te zeggen en dat vormt een zwakte in het boek. De optimisten gaan ervan uit dat de piek rond 2030 zal liggen, de pessimisten denken dat die al tussen 2010 en 2016 bereikt zal zijn.

Berekenen hoe de vraag naar olie zich zal ontwikkelen is een gewaagde kwestie. Het ontdekken van nieuwe bonanza's (zeer grote olievelden) is niet te voorspellen. Dat bleek onlangs nog toen de Mexicaanse staatsoliemaatschappij Pemex bekendmaakte dat in de Golf van Mexico olievondsten zijn gedaan die het land in dezelfde categorie plaatsen als bijvoorbeeld Irak.

Winbare plaatsen

Toch lijkt de stelling dat de meeste makkelijk winbare olie inmiddels gevonden is, wel houdbaar. De nieuwe reserves in Mexico liggen diep onder de zeespiegel en er zijn aanzienlijke investeringen nodig om de olie aan de oppervlakte te krijgen. Ook andere nieuwe bronnen bevinden zich niet op makkelijk winbare plaatsen, zoals in de woestijnen van het Midden-Oosten. Ze liggen bijvoorbeeld in het gure oosten van Rusland, onder de zeespiegel van de Kaspische zee of moeten gewonnen worden uit de teerzanden van Canada. De nieuwe bronnen zijn bovendien onvoldoende om de opgepompte olie te vervangen.

The End Of Oil draait vooral om de Verenigde Staten, de derde olieproducent ter wereld en verreweg de grootste verbruiker ervan: de Amerikanen zijn dagelijks goed voor een kwart van de totale wereldconsumptie. Amerika, waar de productiepiek in olie al in 1970 werd bereikt, is steeds afhankelijker van het buitenland en met name van het OPEC-oliekartel. Een onrustbarende gedachte, omdat veel van deze olie ligt in het onstabiele Midden-Oosten. Roberts haalt experts aan die vrezen voor een islamitische revolutie in Saoedi-Arabië, die mogelijk de oliekraan naar het Westen zal dichtdraaien en de crisis die daarvan het gevolg is, voor lief zal nemen. Maar ook OPEC-leden als Nigeria en Venezuela, belangrijke olielanden voor de VS, hebben de laatste jaren laten zien dat de politieke en sociale onrust elk moment kan oplaaien waardoor de toevoer regelmatig in gebreke blijft.

En dus zoekt de VS naar alternatieven en probeert het volgens Roberts de macht van OPEC te breken. Onder meer door de invasie van Irak, die op den duur een grote nieuwe oliestroom op de markt moet brengen. Verder stimuleert Washington Rusland om de pompen open te zetten, en zijn de Amerikanen actief in de nieuwe olielanden in West-Afrika, zoals Angola. Een begrijpelijke missie, maar een die volgens Roberts gedoemd is te mislukken, omdat de Afrikaanse olievoorraden in het niet vallen bij die van het Midden-Oosten. De geschatte voorraad van zesenzestig miljard vaten die nog in de Afrikaanse grond zit, is nog maar een tiende van de bekende reserve rondom de Perzische Golf. Deze spanning over de beschikbare olie zal snel verder toenemen door de opkomst van China, een explosieve ontwikkeling waar Roberts veel aandacht voor heeft.

De Chinezen zijn de grootverbruikers van de toekomst, en dat dit rap kan gaan blijkt uit de gevolgen van de grote vondst van Spindletop. Die befaamde januaridag in Beaumont zorgde er namelijk voor dat de energie-economie een flinke impuls kreeg. De eindeloze stroom olie uit Texas was een van de redenen waarom Henry Ford in 1903 zijn `Model A' introduceerde. Tien jaar later reden al meer dan een miljoen auto's en trucks in Amerika.

De snelheid waarmee China een beroep doet op eneergievoorraden, is nog veel duizelingwekkender. In 1995 bleek uit onderzoek in Shanghai dat de drie meest favoriete vervoermiddelen waren: de fiets (33 procent), de eigen benen (31 procent) en de bus (25 procent). De auto kreeg minder dan vijf procent. Vijf jaar later was het autogebruik 15 procent gestegen en in 2020 zal de auto meer dan de helft van het personenvervoer in de stad verzorgen. De landen die zich momenteel snel ontwikkelen zullen in 2020 zo'n 67 miljard vaten olie nodig hebben, een stijging van 250 procent vergeleken met 2003.

Politiek rampscenario

Een rampscenario. Niet alleen voor het milieu (zeven van de tien steden met de ergste luchtvervuiling liggen nu in China), maar ook politiek en economisch. Als het aanbod daalt, kan de strijd – al dan niet militair – om de beschikbare olie escaleren. Volgens Roberts is security of supply niet langer de vrees voor een onderbreking van de olietoevoer door aanslagen, maar gaat het over de basale vraag of je hoe dan ook nog olie krijgt.

Roberts is niet helemaal somber. Zo onderstreept hij dat de olie-industrie wel degelijk zoekt naar andere energievormen en druk is met ontwikkeling van gas als overbruggingsvorm tussen olie en een mogelijke toekomstige bron van energie als de waterstofcel. Maar ook de gasvoorraad is eindig en bovendien lastig te transporteren. Alternatieve vormen als zonne- en windenergie kunnen helpen het oliegat te vullen, maar slechts gedeeltelijk. Over de mogelijkheden van de waterstofcel is Roberts op zichzelf positief, maar hij is sceptisch over de toekomst van deze energiebron omdat die nog onstabiel is, geen infrastructuur heeft en minder aantrekkelijk is voor de consument. Opvallend is dat hij geen aandacht heeft voor kernenergie, terwijl de roep om een herkansing voor de nucleaire optie steeds vaker klinkt. Bijvoorbeeld omdat die, ondanks het afvalprobleem, geen broeikasgassen veroorzaakt.

Uiteindelijk blijkt Roberts voorzichtig optimistisch. Hij maakt duidelijk dat de overgang naar nieuwe energiebronnen enorm moeilijk en gevaarlijk zal zijn en zal leiden tot een wereld waarin voorlopig geen energievorm meer zwaar dominant zal zijn. Maar de schrijver zegt er gaandeweg van overtuigd te zijn geraakt dat de oliemaatschappijen zich zullen aanpassen. Van cruciaal belang is volgens Roberts dat de consument, met name de Amerikaanse, zich voor meer gaat interesseren dan de prijs aan de pomp. Pas als de consument het probleem van de energievoorraad gaat begrijpen zal er echt iets veranderen. `De vraag is of we kunnen leven met het resultaat', meent Roberts.

Paul Roberts: The End Of Oil. The Decline of the Petroleum Economy and the Rise of a New Energy Order. Bloomsbury, 389 blz. €30,56