Hoe de wereld toch nog iets anders wordt

Verrassing is te verwachten. Kunst is er altijd op uit ons iets te laten zien, horen, lezen of meemaken wat we niet hadden voorzien. Daarin onderscheidt kunst zich van kitsch, die uit is op bevestiging en herhaling van het overbekende. Kunst drijft op vervreemding, kitsch op herkenning. Maar totale vervreemding is onmogelijk. Het volledig onvoorstelbare kun je je niet voorstellen. Goede kunst zal altijd aansluiting zoeken bij datgene wat we al kennen, ofwel uit de werkelijkheid, ofwel uit kunst die eerder is gemaakt. Een kunstwerk dat zich geheel en al wenst los te zingen van deze wortels, zal onherkenbaar zijn en schouderophalend gepasseerd worden zonder in staat te zijn te raken. Succesvolle vervreemding bestaat uit een spel met onze verwachtingen die zijn gebaseerd op onze kennis van de werkelijkheid en andere kunst. Om te verrassen heb je het bekende nodig.

De verrassing die je hoopt te ondergaan bij het lezen van poëzie kan van velerlei aard zijn, maar je zou kunnen zeggen dat er grofweg twee typen zijn, die zich onderscheiden in de manier waarop zij het bekende exploiteren. Ten eerste zijn er gedichten die hun eigen, al dan niet vervreemdende universum scheppen en de lezer binnen die autonome wereld bij voortduring op het verkeerde been zetten. Dit is poëzie die speelt met onze kennis van de werkelijkheid. Ten tweede is er poëzie die verrast door een spel te spelen met onze kennis van poëzie. Zulke gedichten geven traditionele genres een nieuwe vorm of maken op een vernieuwende manier gebruik van traditionele poëtische middelen als stijlfiguren en beeldspraak.

Debuten zijn altijd een verrassing. Dat maakt debuten ook zo leuk. Een nieuwe stem dient zich aan in de poëzie en begint zonder zich te introduceren tegen je te spreken. Een poëziedebuut behelst per definitie een onverwachte gebeurtenis, want het voegt een nieuw geluid toe waarop niemand zat te wachten en waarvan niemand zich een voorstelling kon maken voordat het klonk. Een nieuwe bundel van Kopland, Korteweg, Kouwenaar, Koenegracht of Komrij zal altijd met bepaalde verwachtingen worden opengeslagen, want we kennen hun stemmen en maken ons een vrij specifieke voorstelling van wat we in hun nieuwe werk zullen aantreffen, een voorstelling die door de lectuur in meerdere of mindere mate zal worden bevestigd. Maar een debutant belt onaangekondigd aan met een nieuw type multifunctionele tapijtreinigergrasmaaiermassagestaaf waarop je ook kunt wokken, waarvan we nooit hadden geweten dat wij hem nodig hadden maar die al gauw een onmisbaar apparaat wordt in ons huishouden. Of niet.

Onlangs verscheen De tempel van Saturnus, het debuut van Andrea Voigt (1968). Het debuut van haar generatiegenoot Bart Meuleman (1965, hij publiceerde eerder een bundel bij een kleine uitgeverij), getiteld Hulp, is al wat langer uit. Beide debuten zijn interessant omdat zij verrassen en niet alleen bij de gratie van het feit dat ze onverwacht hebben aangebeld. En beide verrassen op een andere manier.

De poëzie van Andrea Voigt is op het eerste gezicht volledig vertrouwd en conventioneel. De titel maakt zelfs een reactionaire indruk. De gedichten zijn volgens beproefd recept gerangschikt in thematische cycli met traditionele thematiek. Er is een reeks over tuinen, gespiegeld door een cyclus over verre reizen en een reeks over een verblijf in een onheilspellend oord die is ingedeeld volgens de zeven dagen van de week. De gedichten zelf lijken gedichten te zijn zoals de meeste mensen zich gedichten voorstellen: gevoelige observaties en empathische portretten. Kortom, deze poëzie zoekt een zo nauwe aansluiting bij de poëtische traditie dat zij op het eerste gezicht volledig traditioneel lijkt.

Bij nadere beschouwing blijkt Voigt echter een spannend spel te spelen met de conventies waar zij opzichtig tegenaan schurkt. Zo blijken de tuinen in haar openingscyclus niet geheel te voldoen aan het beeld van de klassieke locus amoenus. De `hij' en de `zij' in het openingsgedicht lijken te toeven in een ouderwets herkenbare idyllische omgeving: `zij wil bloeiende pioenen / en dansen met haar haren los // hij verlangt naar schaduwen en schemering / kamille en papavers'. De adder onder het gras van deze paradijslijke wondertuin is het feit dat de idylle geheel en al wordt beschreven als een verlangen en het bittere succes van dit gedicht bestaat eruit dat de idyllische verlangens van de `hij' en `zij' contrasteren. Zij wil de wilde, losgeslagen, zonnige kant van het paradijs, terwijl `hij wil zitten met zijn rug tegen een koele muur'. Beide zijn traditionele elementen van de poëtische idylle. Voigt verrast door de conventies op onnadrukkelijke manier naar haar hand te zetten en de traditie te gebruiken om via onverenigbare verlangens een onoverbrugbare afstand te suggereren tussen de `hij' en de `zij.'

Het gevaar van de manier waarop Voigt dicht, zwaar leunend op traditie en conventie, is dat de mindere gedichten weinig meer dan traditioneel en conventioneel zijn. Maar waar zij de traditie gebruikt als een instrument om te ontregelen, maakt zij spannende poëzie.

De gedichten in Hulp van Bart Meuleman verrassen op een heel andere manier. De bundel bestaat uit zevenendertig relatief korte, titelloze gedichten die verslag uitbrengen van de relationele beslommeringen van een `ik' en een `jij'. Een afgezaagder thema lijkt nauwelijks denkbaar. Het gehannes dat wordt beleden onder de trotse naam van de liefde is uit ten treure in verzen bezongen en ons helaas maar al te bekend uit de werkelijkheid. Maar Meuleman verrast door in zijn bundel een eigen, gesloten universum te creëren waarin de `ik' en de `jij' zich volgens ondoorgrondelijke wetten tot elkaar verhouden. Zijn poëzie biedt uitzicht op een wereld die lijkt op de onze, maar die telkens toch net even anders is dan wij verwachten. Deze evocatie van een ondoorgrondelijk paralleluniversum gaat wonderwel samen met de relationele thematiek, omdat het de claustrofobie illustreert van gelieven die dichter op elkaar leven dan goed voor hen is terwijl zij zich gedragen volgens regels die voor buitenstaanders niet zijn te begrijpen.

De eerste regel van de bundel zet de toon: `lig stil als ik een vinger in je mond steek.' In de werkelijkheid die Meuleman creëert gaan kozing en pijniging, adoratie en vernedering in elkaar over: `ik sneed je tot kunstwerk, van bloed en rechte lijnen.' Het is bepaald niet helemaal pluis in deze gedichten: `je vel wordt oud, hoe moet ik met je doorgaan? / ontlasting ben je, met huid en haar. het jaagt me op kosten. / maar kijk dan, kijk naar je handen, je bloedt niet meer, terwijl je ooit / een vijver was.' Zodra er in deze gedichten iets gebeurt dat lief, leuk en aardig lijkt, kun je er zeker van zijn dat er binnen enkele regels een ondoorgrondelijke dreiging om de hoek loert: `een lepeltje honing breng ik aan je lippen' en conform de duistere natuurwetten van deze poëzie staat er binnen de kortste keren iets zeer merkwaardigs te gebeuren dat we niet bepaald met een gerust hart tegemoetzien: `we staan in de weide, hier gaat het gebeuren. / twee helpers houden de pony al koest.'

Voigt en Meuleman manipuleren onze verwachtingen door ze naar hun eigen hand te zetten. Voigt speelt met de poëtische traditie, Meuleman met de wetten en de logica van de wereld zoals wij haar kennen. Beiden zijn een verrassing.

Bart Meuleman: Hulp. Querido, 45 blz. €15,95 Andrea Voigt: De tempel van Saturnus. De Geus, 64 blz. €13,95