Het lukte Bernlef toch ook

Ver buiten het bereik van schijnwerpers en televisiecamera's publiceren talloze Nederlandse schrijvers hun boeken. Soms worden ze besproken, maar de meeste lezers hebben nog nooit van hen gehoord. Toch houden ze de moed erin.

Welke boeken zullen straks, in het nieuwe boekenseizoen, worden gerecenseerd en gekocht, welke blijven liggen, als kneusjes? Een categorie schrijvers leeft in de rafelranden van de literatuur. Ze schrijven, zo is het algemene oordeel van de kritiek, `verdienstelijk'. Helemaal niet slecht maar meestal evenmin onthutsend goed. Ze halen een enkele keer de longlist van de Libris of AKO Literatuurprijs. Hun werk wordt verkocht maar krijgt vrijwel nooit een tweede druk. Het gros van de lezers heeft nooit van ze gehoord. De vraag is: is dat erg? Moet er op het bal louter worden geschitterd? En: wat dragen deze schrijvers bij aan het literaire landschap? Zijn ze misbaar? Zou het literaire veld er kaler uitzien als hun uitgevers zouden besluiten ze niet meer uit te geven? Want dat is waar sommige van deze schrijvers bang voor zijn: dat hun passie ze wordt afgenomen.

Flip Willemsen, Gie Bogaert en Mark van Andel zijn drie schrijvers die al minstens tien jaar publiceren bij gerenommeerde uitgeverijen. Doorbreken naar een groot publiek zat er tot nu toe niet in. Willemsen (51) voelt zich soms wanhopig, soms juist strijdbaar. Zeven boeken schreef ze inmiddels, waarin mensen figureren die zich maar moeizaam staande houden. Ze zit in de woonkamer van haar sober ingerichte etage in Amsterdam en zegt: ,,Ik weet nog dat ik na een onaardige bespreking in NRC Handelsblad van mijn debuut, de recensente belachelijk maakte in een stukje in die krant. Nu zou ik blij zijn met iedere recensie. Zolang er geen reactie komt, bestaat het boek niet. Kranten kondigen mijn boeken niet eens meer aan.''

Nadat ze plotseling door Querido werd `gedumpt' (,,er was al een datum van publicatie, toen kreeg ik een brief waarin stond dat het niet doorging'') en haar vierde boek Elise uitkwam bij L.J. Veen, is ze nooit meer serieus besproken, vindt ze. ,,Of ik goed ben of niet, speelt helemaal niet. Ik heb nooit een serieuze kans gehad. Tot een paar jaar geleden lag ik na de publicatie van een boek nachten wakker, ik dacht: o god wat zullen de boekenbijlagen over me schrijven? Nu probeer ik meer afstand te houden.''

De rookmachine, haar verhalenbundel die dit voorjaar verscheen, kreeg een oplage van vijfhonderd exemplaren. ,,Ik wist niet eens dat ze in zulke lage aantallen drukten!'' Ze vond het diep vernederend. ,,Mijn uitgeefster beroept zich op het klimaat bij boekhandelaren: die hadden van mijn boek in totaal maar honderd exemplaren besteld. Een boekhandelaar kan tegenwoordig in zijn computer nagaan: o van haar vorige boek nam ik er vijf en ik verkocht er geen een. Dan neem ik die Willemsen nu maar niet meer in huis.''

De Vlaming Bogaert (46), spijkerbroek en lichtgestreept overhemd, zit in De Gulden Kroon, het stationsbuffet van Antwerpen Centraal. Hij noemt zich `een man zonder eigenschappen'. ,,Ik leid een volkomen saai leven. Ik ben niet in Verweggistan geboren, heb geen relatie met een Italiaanse diva en heb geen boerderij in Lapland. Vandaar dat ik nooit voor een interview wordt gevraagd. En dan kent dus niemand je.''

Hij haalt er zijn schouders over op. Hij zoekt geen publiciteit. ,,Alleen als het over mijn boek gaat, doe ik aan een programma mee'', zegt hij met een principiële blik. En zelfs dan voelt hij zich niet altijd op zijn gemak. Op de Vlaamse Boekenbeurs zat hij eens met een signeersessie naast `zakenman, politicus en schrijver' Jean Pierre van Rossem, die met om zich heen schoppen volop de media-aandacht trok. ,,Mensen stonden in de rij voor hem, allemaal wilden ze zijn boek. Ik verkocht alleen wat exemplaren aan mensen die medelijden met me kregen. Niemand wist wie ik was.''

Bogaert, in het dagelijks leven fulltime leraar Nederlands, publiceerde tot nu toe zeven boeken, recent nog Hemelstof. Van de drie schrijvers is de ontvangst van zijn werk het meest gunstig, hij wordt geprezen als `meester van de kleine speelruimte' en `miniatuurschrijver'. Hij beschrijft de weinig glansrijke heroïek van alledaagse helden. Zijn debuut Wat kwaad doen de tovenaars werd genomineerd voor de Vlaamse NRC literatuurprijs. Bogaert: ,,Toen dacht ik: dit is mijn opstap, nú breek ik door. Natuurlijk wilde ik graag iets betekenen in de literatuur.'' Maar het liep anders. ,,Bij ieder nieuw boek roepen ze bij uitgeverij Podium: dít wordt een groot succes, iedere keer opnieuw moeten we vaststellen: het is niet gelukt. Goede besprekingen hebben bij mij geen enkel effect op de verkoop. In Vlaanderen gaat de verkoop iets beter, daar geeft Van Halewyck me uit, maar Nederland is toch het land van de lezers?''

Bij Mark van Andel (42) begon de publicatiegeschiedenis ook al hoopvol. Vier verhalenbundels schreef hij tot nu toe, waarin eenzelvige, onbegrepen types rondlopen met griezelig onvoorspelbaar gedrag. Toen hij zijn eerste verhalen opstuurde naar het literaire tijdschrift De Gids, werd hij meteen door twee uitgeverijen benaderd. Uiteindelijk kwam zijn debuut Smeltend ijs (1992) terecht bij Meulenhoff. Hij bereikte de longlist van de AKO Literatuurprijs. Hij kreeg gunstige recensies. Bescheiden zegt hij: ,,Mijn enige wens was in het begin: ik zal met mijn boeken toch wel een herdrukje halen? Dat is dus niet zo.''

Van Andel houdt zich letterlijk schuil in de bossen, in de buurt van Dussen (bij de Biesbosch), waar hij het afgelopen jaar op een lap grond zijn eigen huis (,,nou, zeg maar schuurtje'') bouwde. Daarnaast woont hij in Almkerk met zijn vriendin en twee kinderen. Inmiddels heeft hij zijn wensen bijgesteld: ,,Ik ben blij met mijn vierhonderd lezers, al zou het leuk zijn als er zich wat meer om mijn oeuvre verzamelen.''

Waar ging het mis in deze carrières? En waarom? Willemsen heft haar handen in wanhoop. ,,Ik weet het niet, ik weet het niet. Ik heb gelukkig nog wel zoveel eigenwaarde dat ik vind dat ik helemaal niet zoveel slechter ben dan schrijvers die wel gezien worden. Mensen zeggen: je boeken zijn niet leuk om te lezen, je personages zijn zo gestoord. Nee, het zijn geen feel good romans, maar de taal, de beeldspraak, de situaties die ik beschrijf, zijn gewoon goed. Met ieder boek ontwikkel ik me verder.''

Willemsen en Van Andel geloven in het element van stomme pech. Van Andels derde boek Crescendo verscheen, zegt hij, toen juist alle recensenten op vakantie waren en het daarom geen één kritiek kreeg. Elise van Willemsen kwam uit toen er net een hausse was aan boeken over overleden moeders. ,,Mijn boek ging onder in het overaanbod.'' De schrijfster geeft nog een andere, bredere verklaring: ,,Vroeger bij spelletjes op de televisie applaudisseerden mensen als iemand eerst op verliezen stond en opeens een kans maakte, nu gaan ze alleen nog voor de winnaar. Zéven boeken gepubliceerd en nog niet doorgebroken: niemand die dan nog zegt, kom op, wat zou het leuk zijn als het nog gaat lukken.''

Alledrie kijken ze met onbegrip naar het lawaaiige circus om de literatuur heen. Waarom al dat publicitair geweld, vooral gericht op die paar sellers? Niet dat ze jaloers zijn, benadrukken ze, maar ze zouden willen weten: waar is de aandacht puur voor het boek?

Bogaert: ,,Een `stille schrijver' zoals ik word genoemd, is in onze cultuur van `gezien moeten worden' helemaal niet interessant. Maar eigenlijk vind ik dat iedere schrijver een stille schrijver zou moeten zijn.''

Willemsen: ,,Mensen hebben geen benul van wat schrijverschap inhoudt. Ze denken dat iedere schrijver beroemd is. Dus als ze je naam niet kennen, zul je vast niet goed zijn.''

Van Andel zoekt een verklaring in de televisiecultuur. ,,Zelfs schrijvers die nog niets hebben gepubliceerd, zijn sterk gevoed door het beeld van wat een schrijver is: iemand die op televisie komt, die voor lezingen wordt uitgenodigd, aan spelletjes meedoet. Harry Mulisch geeft daar tot in het uiterste vorm aan, die is met de media vergroeid. Als ik hem op tv zie, krijg ik de kriebels: dan zie ik iemand die zichzelf niet is, die door het medium verandert, buitenkant wordt.''

De publieke kant van het schrijverschap is voor mij een enge kant,'' zegt Van Andel. ,,Misschien komt dat omdat ik de eerste veertien jaar van mijn leven op Slot Loevestein heb gewoond. Als je daar woont, woon je alleen – dicht bij de natuur, met zware stormen, overstromingen, ingesneeuwd zitten. Mijn vader was er slotbewaarder, van 1950 tot 1974. Hij schreef ook. Dan zag ik 's nachts boven de poort van het kasteel, overal om me heen was het donker, dat ene brandende raam.''

Hij is een romanticus pur sang, zegt hij: ,,Liever had ik in de negentiende eeuw geleefd. Als je je gemakkelijk kunt afzonderen, zoals in die tijd nog kon, dan is een antwoord krijgen uit de buitenwereld ook niet zo belangrijk. Ik heb ooit eens één fanbrief ontvangen. Dat is voor mij voldoende. Die ene lezer vertegenwoordigt voor mij alle lezers. Ik ontleen mijn bestaansrecht niet aan verkoopaantallen.''

Van Andel en Bogaert voelen zich er `niet voor ingericht', zoals Van Andel het noemt, om in de schijnwerpers te staan. Willemsen deed wél haar uiterste best om aandacht voor haar boek te krijgen. Zo belde ze in wanhoop wel eens journalisten op om zowat een stuk af te dwingen, of leverde ze een gratis exemplaar af bij de boekhandel in haar straat. Het hielp allemaal niet. Ze zou ook best een festival willen organiseren met minor writers, maar geen collega van haar die ervoor voelt.

Wat doen de uitgevers ter promotie van hun boeken? Niet erg veel, zo blijkt. Eerst moet er geld verdiend worden met een boek en dan pas valt er te praten over posters, flyers, displays, advertenties of wat dan ook. Ze sturen exemplaren naar de verschillende boekenredacties, dat is het wel zo ongeveer.

Willemsen zegt dat haar grootste angst is dat haar uitgeefster haar laat vallen. Een paar jaar geleden nog voelde het uitgeefhuis als een plek waar ze zich welkom voelde, met een redacteur die een ,,absoluut geloof had in mijn werk, zoals een moeder dat in je heeft''. Die redacteur staat nog altijd achter haar, maar ze merkt dat het beleid is verhard. ,,Mijn uitgeefster liet me weten: je moet niet te snel met een volgend boek komen. Dat klinkt niet erg geruststellend. En toen ik voor het aanvragen van een werkbeurs bij het Fonds voor de Letteren een intentieverklaring van mijn uitgeefster nodig had, kreeg ik die met de kanttekening: `Eerst maar eens kijken hoe het met dit boek gaat'.''

Aan de ene kant begrijpt Willemsen het wel: een uitgever moet geld verdienen. ,,Maar aan de andere kant: ook als het financieel minder gaat, moet je toch van je schrijvers blijven houden? Als ze nu maar gewoon zouden zeggen: schrijf jij je volgende boek, we hebben je vorige titels ook uitgegeven, we geloven in je.''

Bogaert voelt geen druk van zijn Vlaamse en Nederlandse uitgever, zegt hij, nog niet. ,,Ik houd er rekening mee dat Joost Nijsen van Podium over een tijdje mijn boeken niet meer op kwaliteit maar op rendabiliteit zal beoordelen, omdat de boekenmarkt hem daartoe dwingt. Dan ziet het er slecht voor me uit. Hij heeft altijd tegen me gezegd: schrijf wat je wilt, niet wat het publiek wil. Daar zal ik hem aan houden in mindere tijden.''

Van Andel heeft geen idee hoe het er bij Bert Bakker voorstaat. Dat hij in zeven jaar vier verschillende redacteuren heeft gehad, beschouwt hij niet als een slecht teken. ,,Zouden ze zijn vertrokken vanwege de te grote commerciële druk? Dat geloof ik niet. Het is gewoon een trend om om de paar jaar een nieuwe baan te nemen.'' Hij twijfelt er geen seconde aan dat ze zijn werk blijven uitgeven. ,,Ze kunnen gewoon niet om mijn teksten heen.''

Sinds zijn laatste redacteur ruim een half jaar geleden vertrok, heeft hij de nieuwe nog niet gesproken. Hij weet niet eens wie het is. ,,Die stilte vanuit de uitgeverskant stimuleert het schrijven niet,'' geeft hij toe, ,,je hebt iemand nodig die je af en toe belt en vraagt hoe het ermee gaat.'' Maar hij heeft een andere fan: het Fonds voor de Letteren. ,,Ik leef helemaal van wat zij me toebedelen. Ik heb weinig geld nodig: ik haal de groenten uit de tuin, ik kan hout stoken om het warm te hebben.''

Maar zo'n afhankelijkheid van de rijksmecenas heeft gevaren. ,,Bij Crescendo wilde mijn redacteur een wat toegankelijker boek. Daar ben ik toen in mee gegaan. Het las wat makkelijker dan mijn vorige werk. Maar van het Fonds kreeg juist dit boek een lagere waardering, ze vonden het niet zo literair. Zeker in het begin van je schrijverschap, als je stilistisch nog beïnvloedbaar bent, bestaat het gevaar dat je voor het Fonds gaat schrijven, voor je subsidie dus.''

En nu? Gaan ze door? En voor wie of voor wat dan? Hoe gunstig schatten ze hun lot in? Alledrie noemen ze J. Bernlef als voorbeeld, niet vanwege de stijl maar vanwege zijn publicatiegeschiedenis. Pas na tweeëntwintig jaar schrijven en een zekere faam als dichter drong hij tot het grote publiek door, met Hersenschimmen. Willemsen noemt Renate Dorrestein, die jaren achtereen met manuscripten leurde bij uitgeverijen voordat er een toehapte, en nu niet meer weg te denken is uit de Nederlandse literatuur.

Bogaert is na zeventien jaar publiceren realistisch geworden. ,,De wereld zou moeten veranderen om mijn boeken meer lezers te geven. Ze zouden vertedering, ontroering moeten kunnen voelen bij de alledaagse levens die ik beschrijf, in plaats van alleen naar succesverhalen te willen luisteren. Ik neem genoegen met de bescheiden positie die ik heb.''

Van Andel: ,,Ik hoef echt niet bovenaan de bestsellerlijst, maar ik voel wel: als er publicitair niks gebeurt, bloed je dood. Ik vind dat mijn boeken absoluut bestaansrecht hebben. Ze hebben misschien een wat minder toegankelijk niveau waardoor er nu eenmaal een kleiner publiek wordt bereikt. Zolang ik er een boterhammetje van kan eten, ga ik door.''

Willemsen: ,,Ja zeg, ik ga toch niet zeggen dat ik overweeg te stoppen? Dan krijg ik onmiddellijk allemaal slechte recensies. Zo, weer eentje minder, denken ze dan. Schrijven is voor mij een manier van leven. Als ik zou stoppen, hoe moet ik dan op mijn schrijversbestaan terugkijken? Als iets dat niks was?''

Het werk van Mark van Andel wordt uitgegeven door Bert Bakker; dat van Gie Bogaert door Podium en dat van Flip Willemsen door L.J. Veen

    • Annemiek Neefjes