`Het gaat nu om wat ik dénk'

De jonge choreograaf en ex-danser David Dawson maakt bij het Nationale Ballet de voorstelling `Morning Ground'. ,,Mijn stuk is schoon en fris, als een dagdroom''

`Nee, nee, wacht. Dit moet allemaal pal achter elkaar. Het is wam, wam, wam. Dit is een...'' Choreograaf David Dawson (Londen, 1972) stokt even als hij tijdens een repetitie een fragment uit Morning Ground, zijn nieuwe stuk voor Het Nationale Ballet, probeert te typeren. ,,Een tight-ass moment'', vult eerste soliste Yumiko Takeshima hem vanaf de balletvloer aan. Ze hijgt. Takeshima is Dawsons muze, ze danst hoofdrollen in vrijwel al zijn balletten en ontwerpt er vaak de kostuums voor – ook dit keer. De twee kennen elkaar sinds Dawson in 1995 als danser bij Het Nationale Ballet kwam. ,,Tight ass'', kauwt Dawson haar suggestie na. ,,Yeah.'' Hij glimlacht.

Naast de ranke, ongenaakbaar ogende dansers ziet Dawson eruit als een straatjochie: kleiner van stuk, met fladderende kleren, een baardje en een pet met de klep naar achteren op zijn hoofd. Meestal zit hij aan de kant, bij de stereo-installatie, met links van hem Eleanora, een meisje dat bewegingen noteert en rechts Alan, zijn assistent. Maar soms, als hij een aanwijzing wil illustreren, verraadt zich opeens Dawsons dansachtergrond: dan springt hij overeind en blijkt hij nog even soepel en sterk als de anderen. Takeshima tilt hij met één woeste beweging zo hoog op dat iedereen ervan schrikt, en giechelt.

Het is dinsdagmiddag, eind augustus, en de bewegingen uit Morning Ground, gezet op muziek van Frédéric Chopin, liggen pas één dag helemaal vast. Dawson heeft de dansers tot de première op 9 september dagelijks van twee tot zes tot zijn beschikking. De rest van hun tijd gaat op aan de repetities voor Midzomernachtsdroom van Sir Frederick Ashton en La Valse van George Balanchine, twee moderne klassiekers die Het Nationale Ballet dit najaar samen als `Droom'-programma presenteert, met Morning Ground als middendeel.

Romantisch

Dat droom-thema sprak hem aanvankelijk niet erg aan, vertelt Dawson na de repetitie in zijn werkkamer in het Muziektheater. Hij blaast de rook van zijn Marlboro-lights het raam uit. ,,Ik vond het niet zo'n leuke opdracht. Ik had meteen zo'n beeld: o, dróóm...'' Hij fladdert met zijn handen. ,,Maar toen bedacht ik dat het een ballet mocht worden over mijn interpretatie van wat een droom is. De boeken die ik aan het lezen was, bleken allemaal over dromen in de ruimere zin van het woord te gaan. Het eerste was The hero with a thousand faces van Joseph Campbell, over mythen en verhalen vertellen. In het tweede, Breaking open the head, reist schrijver Daniel Pinchbeck de wereld af op zoek naar rituelen van oude stammen, waarbij paddestoelen of wortels worden gebruikt als drug om de geesten van voorouders mee op te roepen. Dat vond ik een mooi gegeven. `De sterren inademen', schrijft Pinchbeck ergens. Dat is een hallucinatie natuurlijk, maar het is ook een romantisch idee van wat een droom is.''

,,Voor de muziek kwam ik als vanzelf bij Chopin terecht, een soort god van de romantiek. Ik heb zo'n cd-box met zijn complete pianowerken gekocht, bijna vijftien uur muziek, en heb die toen met i-tunes allemaal doorgekamd op mijn computer, steeds opnieuw, tot ik acht stukken over had. Daaruit heb ik er vier gekozen die onderling een mooie lijn vertoonden, en die het dichtst bij mijn idee van een droom kwamen: de piano sonate no. 1 larghetto, twee preludes en een etude. Het zijn romantische stukken, maar niet in de lieflijke, rustige zin – ze zijn heavy. Dat vind ik spannend. Ik heb er tegelijkertijd wel en niet mee gewerkt. Terwijl ik het ballet ontwierp, draaide ik ze niet, ik hoorde ze alleen in mijn hoofd. Maar toen het eenmaal af was, leek het net alsof Chopin bij ons in de kamer zat. Het paste precies.

,,Van de andere twee balletten heb ik me zo ver verwijderd als ik kon. Ik stelde me Morning Ground steeds voor als een parel in de duisternis. La Valse is heel donker, met veel mensen, veel zwier. Midzomernachtsdroom is ook donker, met een bos en een maan. Ik ken het goed, ik heb het vroeger in Londen gedanst, en hier weer. Mijn stuk is juist heel schoon en fris. Het is als een dagdroom. Alles draait om twee vrouwen en twee mannen die samenkomen op die plek, de Morning Ground, en om wat er zich daar tussen hen afspeelt. Het is heel persoonlijk, een toneelstuk bijna.''

Morning Ground duurt twintig minuten, maar voor de vier dansers is het een uitputtingsslag. Solo's en duetten volgen elkaar in moordend tempo op, waarbij vertrouwde, klassieke bewegingen telkens worden gekruid met iets geks – een hoofd dat manisch naar achteren wordt geworpen, wild maaiende armen, een gespitzte voet die hard op de grond stampt. De dansers trekken schokschouderend en klapwiekend baantjes over heel het immense podium, slaan hun handen voor hun ogen en knakken hun torso's zijwaarts. Chopins donkere pianoklanken bieden geen soelaas, maar jutten verder op. Als dit romantiek is, dan is het romantiek in zijn meest woeste, zelfs gevaarlijke vorm. Een omhelzing tussen man en vrouw ontaardt steevast in een worsteling. Elk harmonieus groepsmoment wordt gevolgd door radeloze, eenzame passages. De enige die een paar keer dromerig mag glimlachen, is Marisa Lopez, de tweede vrouw naast Takeshima. Maar na een tijdje vermoed je dat zij hysterisch is, dat ze zich haar geluk inbeeldt.

Dans-Oscar

Dawsons vermogen om dit soort meeslepende, lyrische verhalen te vertellen met de middelen die de klassieke techniek hem biedt, heeft hem in korte tijd grote faam in de balletwereld bezorgd. Zijn 00;00 (2003) is genomineerd voor de Zwaan voor de beste dansproductie van het afgelopen seizoen, een prijs die in oktober wordt uitgereikt tijdens de Nederlandse Dansdagen. Voor The Grey Area (2002) ontving Dawson in Moskou de prestigieuze Benois de la Danse Prijs 2002, een soort dans-Oscar. Eerdere werken, van zijn debuut Born Slippy (1997) op harde techno van Underworld tot het lieflijke A Million Kisses To My Skin (2000) op Bachs `Pianoconcert no.1', werden telkens geprezen om hun eigenwijze, doordachte mengeling van moderne en klassieke elementen. ,,Ik ben deel van de klassieke wereld'', zegt Dawson hierover. ,,Ik wil met klassiek getrainde dansers werken. Ik gebruik de spitzentechniek. Maar in de dans bestaat een neiging om in het verleden te blijven hangen. Dan weer is die grootheid een eeuw geleden geboren, dan weer die... Begrijp me niet verkeerd, ik heb groot respect voor mijn voorgangers, ik heb veel van ze geleerd. Maar dit is de eenentwintigste eeuw, en er zijn op dit moment een heleboel interessante choreografen aan het werk. Het ballet moet verder, een toekomst ontwikkelen. En dan niet op de manier van de jaren negentig, toen alle nadruk op de techniek lag en het gevoel onderbelicht raakte.''

Dawson begon serieus te dansen op zijn negende, toen hij als `Junior Associate' werd aangenomen op de Royal Ballet School in Londen. ,,Daarvoor danste ik al steeds op straat en op school. Ik was verlegen. Dans was een plek waar ik kon dromen, waar ik deel mocht zijn van iets. Een ontsnapping, misschien. Ik wist nooit waar het me zou brengen. Ik had geen plan. Wie heeft er op zijn negende nou een plan? Het was alleen maar iets waar ik werkelijk van hield. Een affaire. Dat is het nog. Als ik nu bezig ben een ballet te maken, ben ik het liefst vierentwintig uur per dag in de studio. Het is de meest comfortabele plek op aarde. Ik heb er nooit aan gedacht om iets anders te gaan doen. Voetbal en televisie zijn niets voor mij.''

Een heer

Na zijn opleiding danste Dawson eerst bij het Birmingham Royal Ballet, en een paar jaar later werd hij solist bij het English National Ballet in Londen. Hij baande zich een weg door alle grote klassieke balletten. ,,Ik was nooit de stoere krachtpatser – ik was meer een heer. Ik kreeg altijd de nobele rollen. Ik deed de pas-de-trois in het Zwanenmeer, de pas-de-deux in Giselle, de blauwe vogel in The Sleeping Beauty. Ik was vaak prins. Na een jaar bij het English National ben ik alsnog ingegaan op een aanbod om bij Het Nationale Ballet te komen dansen. Wayne Eagling [de toenmalige directeur van HNB, SHvV] had me al dat al jaren eerder gevraagd, hij heeft me nog les gegeven op de academie. Ik had genoeg van Londen – het is duur en het is onhandig om er te wonen. En bij Het Nationale Ballet kreeg ik de kans om met nieuw repertoire kennis te maken. Toen ik daar ook weer eens als de prins in Assepoester werd gecast, heb ik nee gezegd. Ik wilde liever de kortere, nieuwe stukken dansen.''

In 2000 verliet hij Het Nationale Ballet voor een plaats als eerste solist bij William Forsythe's Ballett Frankfurt. Het zou zijn laatste dansbaan worden. Hij noemt de twee jaar onder `Bill's' bezielende leiding een `zware, emotionele' periode. ,,Bij Forsythe is elke danser ook choregraaf. De bedoeling is dat je er je ego ontwikkelt, dat je je schaamte aflegt. Er wordt ontzettend hard gewerkt. Om als klassiek getraind danser een andere kant op te kunnen gaan, moet je precies weten wat je kunt, wat jij voor unieks hebt toe te voegen. Maar ik merkte na twee jaar dat ik niet meer in dienst van andermans ideeën wilde staan. Ik wilde er zelf op uit.

,,Het was eng om te stoppen. Ik had één opdracht om een ballet te maken, voor Het Nationale Ballet. Verder wist ik niet wat er zou gebeuren. Zolang je danst, denk je niet veel na over een leven erna – daar is het te intensief voor. Mijn oma zei wel altijd: `Wanneer vind je nou een echte baan? Dit duurt niet lang hoor!' Dans draait om jeugd. Tegen de tijd dat je weet wat je als danser kunt verbeelden en na kunt jagen, begeeft je lichaam het. Met het mijne had ik nog zo'n zeven jaar door kunnen dansen, denk ik – als ik het echt had gewild. Ik heb weinig zware blessures gehad.

,,Je lichaam verandert als je stopt. Als danser train je elke dag, om je kracht en soepelheid op peil te houden. Dat hoeft opeens niet meer. Ik ben meteen met de ochtendlessen gestopt. Great. Die vond ik altijd al stom. Nu beweeg ik zoals het in me opkomt, in de studio. En verder is alles meer cerebraal geworden. Het gaat nu om wat ik denk, wat ik lees, wat ik zie, en wat ik daar uit kan halen. Inspiratie kan uit een schilderij komen, een gebouw, een computerspelletje. Uit simpele geometrische patronen, zoals daar...''

Hij wijst naar buiten, naar de daken. ,,Ik heb de dingen altijd op een choreografische manier bekeken, van de buitenkant. Nu probeer ik dansers er ook altijd eraan te herinneren om naar een stuk als geheel te kijken terwijl ze erin zitten. Dat is vaak nieuw voor ze.

,,Ik wil mijn dansers zichzelf laten zijn; ik wil ze toestaan om naakt op het podium te staan, zonder een rol aan te nemen. Ik vraag mensen voortdurend hoe ze zich voelen bij een bepaalde beweging. En als iemand dan zegt `goed', zeg ik: is dat goed genoeg? Gaan we onszelf dan vanaf nu herhalen, of gaan we morgen een stap verder en maken we alles nieuw? Daarvoor moet je zonder angst zijn, je moet in het moment zitten en je mag je geen zorgen maken over ervoor of erna. Een dansuitvoering is geen film – het is vlees en bloed, het is echt, het gebeurt voor je neus. Daar mogen de dansers ook van genieten. Ze moeten zich vrij voelen om risico's te nemen.''

Dawson werkt het liefste met dansers die hij goed kent, zoals bij Het Nationale Ballet, waar hij de komende jaren elk seizoen één nieuw ballet mag maken. Hij ziet het als zijn thuisbasis. De rest van de tijd is hij vrij om de wereld rond te reizen voor klussen bij andere gezelschappen. Zijn agenda is vol. ,,Elk nieuw werk begint met een overrompelende leegte, met niets'', zegt hij. ,,Je gaat telkens opnieuw een lege kamer binnen. Niemand weet wat je wilt. Ik heb altijd wel een duidelijk idee, maar daar moet je nog een werkelijkheid bij vinden. Ik bepaal alles met de dansers, in de studio. Er staat niets op papier. Thuis maak ik wel de hele tijd aantekeningen, op rekeningen of wat er maar voorhanden is, maar dat is uiteindelijk vaak rubbish. Het zijn maar woorden. Dan lees je ze later terug en denk je: Zoef, stap, val? Wat betekent dat?''

`Droom' van Het Nationale Ballet. Nog vanaf 11/9 tot 26/9 in het Muziektheater, Amsterdam. Tournee. Inf.: www.het-ballet.nl, tel:020-6255455