Handboek internetresearch helpt je weten wat je niet weet

De mogelijkheden van internet zijn voor veel gebruikers nog onbekend. Arjan Dasselaar schreef een nuttig doe-boek dat problemen kan oplossen waarvan een beginnend onderzoeker niet eens wist dat hij die had.

Was het internet maar een hooiberg, dan zou het zoeken een stuk makkelijker gaan. Je bent even bezig, maar wie goed zijn best doet zal zeker vinden wat-ie zocht. Tenminste: als je er zeker van bent dat wat je zocht, ook in de berg aanwezig is.

Maar het internet is geen hooiberg, en om er iets te kunnen vinden zijn daarom meer hulpmiddelen nodig dan twee handen. En wie iets op het internet wil vinden, heeft doorgaans niet alle tijd van de wereld.

Maar welke hulpmiddelen zijn er zoal? Dat is een vraag die niet zo makkelijk te beantwoorden is. Wie een jaar of twintig geleden zijn huis wilde verbouwen, kon toe met basale hulpmiddelen als een paar schroevendraaiers, een hamer, een nijptang, een boormachine en een waterpomptang. Veel meer gereedschappen waren niet beschikbaar, en dus hoefde een doe-het-zelver zich het hoofd niet te breken over allerhande oplossingen. Zo moet het leven in het Oostblok geweest zijn: niet altijd even handig, maar wel geruststellend in zijn simpelheid. De fabrikanten van gereedschappen hebben intussen echter niet stilgezeten, en dat heeft het de beginnende klusser er niet makkelijker op gemaakt. Want die moet eerst goed inventariseren welke oplossingen er zijn voor problemen waarvan hij aanvankelijk niet eens wist dat hij ze had. Maar als hij dat eenmaal gedaan heeft en dat is een tijdrovende klus dan zal al het werk erna gemakkelijker gaan.

Dat is precies het nut van het onlangs verschenen Handboek Internetresearch van de journalist Arjan Dasselaar. In het begeleidende persbericht haalt hij de fameuze uitspraak van de Amerikaanse minister Donald Rumsfeld (Defensie) aan, die het kennisniveau van de geheime diensten op het gebied van terrorisme samenvatte met de woorden: ,,Er zijn dingen waarvan we weten dat we ze weten. Maar we weten ook dat we bepaalde dingen niet weten. En dan zijn er nog dingen waarvan we niet weten dat we ze niet weten.''

Ofschoon Rumsfeld herhaaldelijk belachelijk is gemaakt om deze opmerking, is het laatste deel van zijn antwoord het niet-weten wel de kern van het probleem waar zowel spionnen als researchers op internet mee kampen. Een spion weet niet altijd waar hij de dreiging moet verwachten, en wie iets wil zoeken op internet heeft vaak geen idee van de hulpmiddelen die hem hierbij van dienst kunnen zijn, of van de gevaren en onvolkomenheden die de bekende hulpmiddelen met zich meebrengen.

Dasselaar kwam op het idee voor zijn Handboek door de cursussen over research die hij geregeld geeft. De doorgewinterde internetgebruikers die hij daar trof gaven vaak hoog op van hun kennis over zoektechnieken, maar gedurende de les bleek hoe beperkt hun kennis eigenlijk was.

Vaak hoeft dat niet erg te zijn natuurlijk. Voor een zoektocht naar de dichtstbijzijnde supermarkt in een onbekende stad is een GPS-ontvanger niet nodig, net zo min als een gedetailleerde stratengids. Een wandeling van een paar minuten kan meestal volstaan, en op straat lopen genoeg voorbijgangers die de weg kunnen wijzen.

Wat de hulpvaardige voorbijganger is voor de wandelaar, is de zoekdienst Google voor de alledaagse internetgebruiker. Wie op zoek is naar informatie en nog niet weet op welke website die te vinden is, begint doorgaans met Google. Niet voor niets wijdt Dasselaar een volledig hoofdstuk van zijn Handboek aan deze dienst. Maar dat is niet de reden waarom zijn boek nuttig is. Wie echt alles wil weten over Google, kan beter het vorig jaar verschenen Google Hacks kopen van Tara Calishain, die zelf de researchwebsite www.researchbuzz.com onderhoudt. Google Hacks heeft wekenlang de bestsellerlijst van The New York Times gedomineerd.

Ook voor de overzichten van diverse andere zoekmachines en de tips voor het gebruik van zogeheten booleans (AND, OR, NOT en dergelijke) die Dasselaar geeft, zijn diverse andere bronnen te raadplegen, doorgaans niet op papier maar op websites. Maar ook hier geldt natuurlijk: wie niet weet dat je ernaar kunt zoeken, zal dat ook niet doen.

Echt interessant wordt het pas, wanneer Dasselaar manieren behandelt om erachter te komen wie verantwoordelijk is voor een website. Iedereen kan een website beginnen die via Google te benaderen is, maar niet iedereen kan controleren of de informatie op die site betrouwbaar is. Als praktijkvoorbeeld geeft Dasselaar de website www.martinlutherking.org, die er op het eerste gezicht betrouwbaar uitziet, en zou kunnen dienen als bron voor een scholierenscriptie. Maar wie op zoek gaat naar de verantwoordelijken achter de site, komt terecht bij de organisatie Stormfront Inc, een rechtsextremistische club uit Florida. Het gebeurt geregeld dat namaakberichten van ogenschijnlijk serieuze websites het nieuws halen, en het zou geen kwaad kunnen wanneer minimaal de achtergronden worden onderzocht van zulke berichten. Zo voorkom je dat een Amerikaanse sheriff waarschuwt dat het terrorismenetwerk Al-Qaeda mensen lastigvalt met behulp van telemarketing een ander voorbeeld uit het Handboek.

Ook voor het zoeken naar mensen, telefoonnummers en e-mailadressen geeft Dasselaar nuttige tips. Zo staan in zijn boek diverse plekken waar je met alleen een telefoonnummer op zoek kunt naar de persoon die erbij hoort. Ook legt hij uit hoe nieuwsgroepen (het Usenet) hierbij kunnen helpen, of de directories die gekoppeld zijn aan chatprogramma's als ICQ en MSN Messenger.

Enigszins vaag wordt Dasselaar als hij zogeheten RSS-feeds behandelt, een techniek van websites om hun abonnees op de hoogte te houden van nieuw verschenen artikelen. Hoe je RSS-feeds kunt vinden, welke programma's je erbij nodig hebt en de diverse standaarden die er zijn, Dasselaar legt het allemaal uit. Maar hoe een RSS-feed er nu eigenlijk uitziet vergeet hij te vermelden. Voor de niet-ingewijde blijft de gebruikte terminologie daarmee nogal ontoegankelijk.

Heel erg is dat overigens niet. Want het Handboek Internetresearch is vooral een doe-boek, en geen leesboek. Het beste is, het naast de pc te lezen en telkens gewoon zelf te proberen wat Dasselaar uitlegt. Dan worden onbekende gereedschappen vanzelf bekend, en kan de beginnend researcher problemen oplossen waar hij voorheen geen weet van had.

Arjan Dasselaar: Handboek Internetresearch. Uitg. Van Duuren Media, Eck en Wiel, 288 blz., ISBN 90-5940-115-8, €27,90.

    • Arlen Poort