Gedempt gevoel en wufte chic bij Nationale Ballet

Choreograaf David Dawson noemt zijn ballet Morning Ground een `romantische rêverie', wegens de pianomuziek van Chopin. Daarmee brengt hij het publiek op een dwaalspoor, want met de lyrische danspoëzie van Les Sylphides (1911) – dat de bijnaam van `romantisch droombeeld' draagt – heeft zijn kwartet weinig van doen. Dawson plaatst vier solisten in een abstract decor, een ontwerp van George Reischl. Dat is gevormd uit witte repen textiel en biedt in de schaarse witblauwe belichting een neutrale weidse en toch hermetische ruimte. Het lijkt of emoties hierin bij voorbaat gedempt raken, want al speelt pianiste Olga Khoziaino Chopins noten nog zo helder, in de dans voel je geen spat emotionele spanning. De vier bewegen veelal los van elkaar. Soms vormen ze koppels met tot slot een lange solo door Yumiko Takeshima en een duet. De dansers zijn mooi in de grote ruimte geplaatst, maar zelfs het duet met sierlijke acrobatiek is te vlak als het om gevoelsexpressie gaat. Als tot slot de man voor dood ligt, loopt de vrouw schijnbaar onbewogen weg.

In Dawsons spitzendans valt het nadrukkelijke gebruik van port de bras sterk op. De slingerende armbewegingen planten zich voort in het hele lichaam, dat ook continu in beweging is. De vorm is grillig, zoals bij William Forsythe – bij wie Dawson danste – en tegelijk sierlijk en verfijnd, wat wijst op zijn Engelse Royal Ballet achtergrond. Die synthese intrigeert wel maar het ballet toont ook de tweespalt tussen formele bewegingskunst en emotioneel geladen dans, alsof Dawson nog moet kiezen in welke richting verder te gaan.

Morning Ground zit in dit openingsprogramma `Droom' ingeklemd tussen twee klassiekers: La Valse (1951) van Balanchine en Midzomernachtsdroom (1964) van Ashton. Beide werden in 1904, nu honderd jaar geleden, geboren maar dat is het enige wat de Russisch-Amerikaanse meester van de neoklassieke dans en de Britse Sir van het verhalende ballet verbindt. La Valse, op muziek van Ravel, is een van Balanchines romantische balletten, al kent het geen echt verhaal. Na een reeks korte walsen wordt toegewerkt naar een dramatisch slot waarbij een jonge vrouw (Igone de Jongh) op een bal haar geliefde (Gaël Lambiotte) moet verruilen voor een onstuimige en noodlottige dans met de Dood (een indrukwekkende Nicolas Rapaic). La Valse ademt de wufte chic en glamour van de jaren vijftig met grijs-roze baljurktutu's, glittercolliers en lange handschoenen voor de dames. Het is nog steeds een mooi, in spanning voorbeeldig opgebouwd ballet. Deze uitvoering was wel wat te mager en miste daardoor vooral in het eerste deel de meeslepende Schwung die de wals nu eenmaal eigen is.

In Ashtons Midzomernachtsdroom (1964), een luchtige danskomedie naar Shakespeare, schitterde soliste Larissa Lezhnina als Titania, in een even sterke als sierlijke vertolking. Tamás Nagy (Oberon) bleef te flegmatisch voor een heerser van het nachtelijke bos. Maar de perfecte Puch was wel Sefton Clark, een in Ashtons stijl geschoolde danser die de levendige gebaren, malle sprongen en schalkse poses in zijn genen heeft zitten. Toch zou Het Nationale Ballet deze weeë feeënromantiek misschien beter van het repertoire kunnen schrappen, zoals ook Ashtons Cinderella na dit seizoen vervalt. De Engelse ballettraditie kan beter worden geconserveerd bij zijn Londense bakermat, The Royal Ballet.

Voorstelling: Droom, Het Nationale Ballet. Première: Morning Ground. Choreografie: David Dawson. Reprises: La Valse (Balanchine) en Midzomernachtsdroom (Ashton). Gezien: 9/9 Muziektheater, Amsterdam. Aldaar t/m 19/9 en 26/9. Inl.: 020-551 8225 of www.het-ballet.nl

    • Isabella Lanz