Een behekste amazone

Gunilla Verbeke speelt Keetje van Heilbron in het gelijknamige toneelstuk van Heinrich von Kleist: ,,Ik was geshockeerd door haar gedrag.''

Het meisje is maar net vijftien jaar geworden, en ze rent, buitelt en dartelt levenslustig door het leven. Rust vindt ze eigenlijk nooit. Als ze slaapt dan slaapwandelt ze, als ze droomt dan krijgt ze visioenen over oorlog, een gifmengster die haar wil doden of over brandende kastelen. Ze is de dochter van een eenvoudige smid uit het Zuid-Duitse Heilbronn, de stad waarnaar ze is vernoemd: Käthchen of, in het Nederlands, Keetje of Kaatje van Heilbron.

Keetje, de koosnaam van Katharina, is de titelheldin uit het betoverende liefdessprookje Das Käthchen von Heilbronn (1810) van de romantische Duitse toneelschrijver Heinrich von Kleist (1777-1811). Maar zoals elk sprookje heeft Das Käthchen ook zijn grimmige kanten. Haar onrust vindt zijn oorzaak in de verzengende liefde die ze, bij de eerste aanblik, voelt voor een adellijke man die Frederik Bliksem, Graaf van Straal heet. Een veelzeggende naam, want de bliksem die uit zijn ogen, zelfs uit zijn verschijning schiet, maakt Keetje uitzinnig. Hij vervult voor haar de rol van gedroomde ridder op het witte paard. Zijzelf is, zoals Von Kleist schrijft, `een schoonheid naar lichaam en geest'. Als zij over straat liep met haar mooie kleren en haar zilveren kettinkjes, dan hoorde je het langs de vensters fluisteren: `Daar gaat Keetje van Heilbron'. Vanaf de eerste ontmoeting achtervolgt Keetje de graaf overal. Ze springt voor hem uit het raam van haar huis waarbij ze haar enkels verzwikt, loopt hem na over slagvelden en door bossen, slaapt niet bij hem maar in de stal naast zijn paard. In haar toewijding gaat ze zover te dulden dat hij niet haar geliefde is. En toch laat de voorspellende droom van een gelukkig huwelijk met deze Frederik Bliksem haar niet los.

In de regie van Gerardjan Rijnders bij Toneelgroep Amsterdam vertolken Gunilla Verbeke en Benjamin de Wit de rollen van Keetje en Graaf van Straal. Ze zijn jong. Verbeke studeerde in 2000 af aan de Toneelschool van Maastricht en De Wit voltooide een jaar later de Theateropleiding in Utrecht. In de cast van veertien spelers treffen we naast bekende namen als Theo Pont, Marieke Heebink, Marjon Brandsma en René van Zinnicq Bergmann acteurs aan die nog op school zitten. Rijnders wil van deze Keetje van Heilbron een `lichte en energieke voorstelling' maken. ,,Het kan niet licht genoeg'', zegt hij na afloop van een repetitie aan de Amsterdamse Prinsengracht.

Op een avond vroeg in september staan de spelers voor het eerst in de grote zaal van een schouwburg, die van Zaandam. Gunilla Verbeke als Keetje draagt een korte, wat uitstaande rok met patchwork en een blauw gebreid vest. Decorontwerper Marc Warning plaatst de acteurs in een omgeving die allereerst poëtisch is: zilverkleurige, glimmende staaldraden lopen van boven naar beneden. Ze zouden een stilering kunnen zijn van regen, want er valt veel regen in Kleists stuk. Maar je kunt er ook een verwijzing in zien naar een abstract Duits woud, waarin je kunt verdwalen. De eenvoud die Warning nastreeft voedt de fantasie van de toeschouwer. Hij zegt: ,,Het moet zo simpel zijn dat iedereen denkt: dit had ik ook kunnen verzinnen. Vervolgens verliezen ze zich in deze abstractie en gaan ze visueel duiden wat de acteurs met hun tekst oproepen, zoals een grot, kasteel of veldslag.''

Tijdens het spel trekken de staalkabels helrode, uitgesneden ovale vormen uit het vloertapijt omhoog, ,,de bloedstroom van het stuk'', zegt Warning..

Magnetisch

In de toneelgeschiedenis is er altijd over getwist of Von Kleist een bestaand personage heeft gebruikt of zijn Käthchen uit zijn fantasie heeft geschapen. De stad Heilbronn doet er in elk geval alles aan om het idee levend te houden dat de beroemde dochter werkelijk bestaan heeft. Naast het uit rode baksteen opgetrokken raadhuis op de Markt prijkt het zogenoemde `Käthchen Haus', een voormalige patriciërswoning uit de 14de eeuw, met ervoor de `Käthchen Brunnen'. Tot aan het eind van de negentiende eeuw geloofde men dat Kleist zich liet inspireren door de burgemeestersdochter Elisabeth (Lisette) Kornacher, een `magnetische Schlafrednerin'.

Voor Gunilla Verbeke maakt het weinig uit of Keetje wel of geen historische figuur is. Ze zegt: ,,Het helpt me niet bij de invulling van mijn rol. Ik ken het stuk van vroeger. Mensen zeiden tegen me: dat moet je lezen, het is echt iets voor jou. Bij eerste lezing schrok ik van het meisje; ze is een stalkster, ze loopt blind, als `een hoer' zoals Von Kleist schrijft, achter de graaf aan. Voor mij is de eerste leeservaring beslissend. Ik was geshockeerd door haar gedrag, totdat ik besefte dat haar verlangen alsmaar in de nabijheid van de graaf te willen zijn erg mooi is. Met haar zelfopoffering doet ze niemand kwaad.'' Verbeke kreeg van Rijnders de opdracht over de hoofden van de toeschouwers in de verte te kijken, om de schemertoestand tussen slaap en waken waarin ze verkeert uit te drukken: ,,Maar wat ik voor me zie is beslist geen voorbeeldige heilige, niet zo'n meisje met een stralend kroontje op. Heiligen bestaan niet. Ik wil graag dat de mensen Keetjes passie herkennen, dat zij tijdens de voorstelling iets betekent in hun eigen leven. Het is aan mij om mijzelf in de rol te krijgen die ik graag wil zien: Keetje als echt bestaand iemand.''

Rijnders en vertaalster Janine Brogt, die van het complexe Duits een heldere, ritmische toneeltekst maakte, zijn zich terdege bewust van het `Teutoonse' dat Das Käthchen aankleeft. Zo begint het stuk met een oeroud veemgericht, een bij nacht en ontij werkende, onofficiële rechtbank. Later in het stuk moet Keetje een middeleeuwse vuurproef doorstaan om haar liefde te bewijzen. Daartoe rent ze het brandende slot van de graaf binnen om een portret te redden. Geheel ongeschonden komt ze weer te voorschijn. Als ze achterom kijkt, ziet ze dat een cherubijn, getooid met vleugels, haar als beschermengel heeft begeleid.Andere stukken van Kleist, zoals Die Hermannsschlacht of Der Prinz von Homburg, liggen gevaarlijk dicht bij de verheerlijking van Duitsland en werden geannexeerd door het Derde Rijk. Toen Janine Brogt lang geleden Der Prinz uitgevoerd zag in de regie van Peter Stein huiverde ze: ,,Het ligt zo dicht bij Blut und Boden, dat het zelfs voor een regisseur als Stein moeilijk is daar afstand van te nemen. Voor ons blijft Keetje een sprookje, dat zonder kennis van het al te Duitse goed is te volgen. Wat we wel hebben benadrukt, is de heftigheid van de gevoelens. Het stuk schiet heen en weer tussen grote emoties en intieme liefdesscènes. Ik denk dat Von Kleist veel van zijn persoonlijke leven in Keetje projecteerde; hij viel vaak flauw en werd tijdens een gesprek nu eens doodsbleek dan weer vuurrood. Ook Keetje bezwijmt regelmatig, zelfs aan het slot. In al zijn toneelwerk komen personages voor die door niemand ernstig worden genomen, totdat uiteindelijk blijkt dat het mensen zijn met een zuiver hart en ze erkenning krijgen. Net als Keetje.''

Engel in tanga

Rijnders aarzelt nog over het slot. Hij zegt: ,,Het is een komedie waar je om kunt huilen of een tragedie, die je laat lachen.'' In 1986 regisseerde hij het stuk bij de Vereinigte Städtische Bühne van Krefeld. Toen de engel die Keetje behoedt opkwam in tanga en met vleugels klonk er boe-geroep uit de zaal: een engel in tanga, dat kan niet. De intendant voegde Rijnders toe: ,,Wir sind keine Experimentierbühne.'' Het decor bestond uit zestig oude stoelen, bij de kasteelbrand vielen er nog eens zo'n dertig uit de kap van de schouwburg omlaag. Volgens Rijnders is het mooie van Von Kleist het besef ,,dat het echte geluk in een andere wereld ligt, misschien in de droom, in de slaap of de dood, maar niet hier''. Ook het onverbiddelijke gedrag van Keetje spreekt hem aan. Eerder ensceneerde hij Penthesilea, het gruwelijke stuk over een amazone die haar grote liefde in een roes verslindt. Rijnders: ,,Keetje en Penthesilea horen bij elkaar, zoals Von Kleist zelf zei als `plus en min' bij algebra. Keetje roept door haar onaantastbare zuiverheid het lot over zich af en Penthesilea gaat tot het uiterste in haar handelen. Beide vrouwen zijn verwikkeld in een onmogelijke liefde: amazones zijn krijgslustige vrouwen die niet van mannen mogen houden en Keetje kan en mag niet met de graaf trouwen, want zij is een burgermeisje en hij van adel. Het standsverschil maakt de liefde tragisch.''

Het is niet zozeer Keetje die de dramatische toon zet, integendeel, haar dartelheid is innemend, maar haar vader, de smid Theobald. Theo Pont in deze rol daagt in de eerste scène de graaf voor dat duistere veemgericht in een onderaardse grot. Hij spreekt tot de rechters, maar die ziet hij niet. Het zijn geheime, onzichtbare machten zoals het past bij een wetteloze rechtbank. Hij zoekt hen tussen het publiek. Pont: ,,Ik richt me rechtstreeks tot de zaal en sla daardoor een brug tussen de toeschouwers en het stuk. Er is geen sprake van een vierde wand die de bühne van de zaal scheidt. Door deze speelstijl is het alsof de toeschouwers samen de rechtbank vormen. Dat verhoogt de betrokkenheid. Hoe abstract het decor ook is, ik maak in de verzen van Von Kleist duidelijk dat de plaats van handeling een sinister oord is. De fantasie van de kijker is de mooiste gave voor de toneelspeler.'' Het is opmerkelijk wat er in deze beladen openingsscène gebeurt: een burgerman mag een man van stand niet aanklagen. Vader Theobald werpt Frederik Bliksem voor de voeten dat hij zijn jonge dochter heeft behekst. Daarom zou ze hem achtervolgen. Pont staat voor de zaal en zegt tegen de rechters van het veemgericht: ,,Frederik Graaf Bliksem van Straal heeft mijn kind verleid, mijn Katherientje. Lever hem uit aan de roodgloeiende speren van de hel: ik beschuldig hem van schandelijke tovenarij, zwarte kunst en van broederschap met de duivel.'' Rechtvaardigheid zegeviert niet in de geest van deze rechters, die de graaf vrijspreken van schuld. De enige liefde die de verslagen Theobald ondervindt, is die van Keetje zelf. Ondertussen heeft Pont met zijn uitdaging de toon gezet en is de aandacht van de toeschouwer gevangen: hier gaat het om een door standsverschil noodlottige liefde en een vader die de oude orde wil handhaven. Een meisje van lagere klasse mag zich niet begeven in hogere rangen.

Dat laatste gebeurt natuurlijk toch, want Keetje van Heilbron is een sprookje, een komedie, desnoods een wrange. De dynamiek van het spel blijkt uit het tintelende samenspel tussen Gunilla Verbeke en Benjamin de Wit als Graaf van Straal. Voor hem is het stuk ,,een jongensboekvol grote emoties. Het gaat over ridders en als die horen `Oorlog! Oorlog!' dan trekken ze hun zwaard en hakken op elkaar in. De geestdrift van de jeugd beeld ik uit door als een jong dier de speelvloer op te gaan.''

Bouwpakket

Voor Benjamin de Wit, die zelf net dertig is, heeft zijn graaf de leeftijd van een onstuimige jongeling rond de vijfentwintig, maar `hij moet alles in de liefde en zeker de fysieke liefde nog ontdekken'. Keetje is niet de enige vrouw die hem belaagt. Haar tegenspeelster en vijandin is de boosaardige, oudere jonkvrouw Kunigonde (Renée Fokker) die zich ontpopt als een jaloers serpent.

Met Kunigonde schept Von Kleist een van de bijzonderste personages uit de toneelliteratuur. Zij is geen vrouw van vlees en bloed, maar een `bouwpakket', zoals het heet, een ledenpop die bestaat uit verschillende onderdelen. Haar tanden komen van een meisje uit Italië, haar haarpracht uit Frankrijk en haar wangen uit Hongarije. Met deze artificiële creatie refereert Von Kleist aan een spel dat destijds onder de adel zeer geliefd was, namelijk het poppenspel. Kunigondes marionetachtige bewegingen verwijzen naar de beschouwing Ueber das Marionettentheater, waarin Von Kleist aantoont dat marionetten de grootste toneelspelers zijn, want ze ontberen het reflecterende bewustzijn dat een acteur vaak hindert. Ze bewegen zich in volmaakte gratie.

Het blije einde dat Von Kleist suggereert is voorlopig nog een open einde, en zo wil Gunilla Verbeke het graag houden. Volgens de tekst valt ze flauw, wanneer zij door een wonderlijk toeval tòch met haar Graaf Bliksem mag trouwen. Zij blijkt namelijk niet Theobalds dochter maar die van een keizer. Zo'n plotse wending is heerlijk voor een gelukkig eindigende, sprookjesachtige komedie. Maar klopt het wel? Benjamin de Wit vindt dat ,,Keetje en de graaf altijd hebben geweten dat ze voor elkaar bestemd zijn. Volgens het Ridderhandboek moet hij met de jonkvrouw trouwen, maar dat is geen liefde. Met Keetje wel. Al duwt hij haar bruusk van zich af, als hij in haar ogen kijkt is hij net zo verloren als Keetje.''

,,Ik zeg aan het slot geen `hiep hoi!'' overweegt Gunilla Verbeke, twee weken voor de première nog onzeker over wat het slotbeeld zal worden. ,,Als ik opsta nadat ik flauw ben gevallen, dan gaat het huwelijk dus door. Ik kan ook blijven liggen, vergiftigd door Kunigonde. Maar dat lijkt me te nadrukkelijk. Mijn liefde voor de graaf is onvoorwaardelijk, maar de zijne is voorwaardelijk. Hij wil Keetje alleen als bruid nadat duidelijk werd dat zij de dochter van een keizer is. Maar is een huwelijk onder die omstandigheden gelukkig? Ik denk van niet. Zij heeft alles gekregen wat ze wilde hebben, en toch laat geluk het afweten. Een man trouwt toch geen vrouw alleen vanwege de achternaam?''

Toneelgroep Amsterdam: Keetje van Heilbron.

Amersfoort Theater de Flint, 18/9 (try-out). Première: Amsterdam Stadsschouwburg,

24/9 (22-23/9 try-out). Tournee t/m 6/11.

Inl.: 020-5318484; www.toneelgroepamsterdam.nl

    • Kester Freriks