Darwin-kabeljauwen

Vissers vangen veel te veel zeevis. Daarom zijn er steeds minder vissen. Dat krijg je er van. Maar niet alleen de vangsten nemen af. De vissen zélf worden ook steeds kleiner. Dat heeft een Oostenrijkse professor uitgerekend.

Nu ligt Oostenrijk niet eens aan zee, dus wat weet die professor er nou van? Maar zijn collega's uit landen die wel een kust hebben, geven hem groot gelijk.

Neem de kabeljauw. De meeste kabeljauwen die vissers zestig jaar geleden vingen, waren bijna een meter lang. Kabeljauwen van nu zijn dertig centimeter korter. Waardoor worden die kabeljauwen steeds kleiner?

Het antwoord is al anderhalve eeuw geleden gegeven door de Britse onderzoeker Charles Darwin. Die gooide het anker uit bij een groepje eilanden in de Stille Oceaan en zag dat ieder eiland zijn eigen soort vink had.

Krijg nou wat, dacht Darwin.

Waarom, vroeg hij zich af, heeft God – iedereen geloofde toen nog in God – zoveel verschillende soorten vinkjes gemaakt? En toen bedacht hij dat dit helemaal niks met God te maken had, maar met de evolutie.

De evolutie – dat betekent: langzame verandering – was ongeveer zo gegaan. Wanneer vinken jongen krijgen, hebben ze niet allemaal dezelfde snavel. De ene snavel is nét iets handiger dan de andere. De vinken met de beste snavel maken een grotere kans om in alle gezondheid jonge vinkjes te krijgen dan die met een onhandige snavel. Die jongen hebben ongeveer dezelfde snavel als hun ouders – mensen met rode haren krijgen ook vaak kinderen met rode haren. Of misschien hebben ze wel een nóg handiger snavel. Zo krijg je steeds meer vinken met een goede snavel en steeds minder met een onhandige snavel. Naarmate de tijd verstrijkt – misschien wel miljoenen jaren – evolueert zo'n vink. Op den duur blijven alleen vinken met een geschikte snavel over.

Ingewikkeld, hè? Het blijft nog even ingewikkeld.

Doordat die eilanden de afgelopen miljoenen jaren erg van elkaar zijn gaan verschillen, bijvoorbeeld met andere begroeiing, heb je op ieder eiland vinken met andere snavels gekregen. Al die anders gebekte vinkjes worden Darwin-vinken genoemd.

Terug naar die kabeljauwen. Die vissen legden vroeger pas eitjes wanneer ze, laten we zeggen, zestig centimeter lang waren. Maar die lange kabeljauwen worden bijna allemaal gevangen door de netten. Alleen kleine kabeljauwen, die eitjes kunnen leggen wanneer ze nog heel klein zijn, overleven de netten. Niet de natuur maar de vissers selecteren dus op lengte. Vissers spelen voor God.