Burgers moeten meestemmen over oversteken van Bosporus

De EU staat op het punt onderhandelingen te beginnen met Turkije over toetreding, maar de bevolking van de lidstaten is sceptisch. Die kloof moet overbrugd worden: niet door bij voorbaat `neen' te zeggen, maar door hard te onderhandelen en over de uitslag een referendum te houden, vindt Jozias van Aartsen.

In Nederland staan bevolking en bestuurders vanouds wat lijdzaam tegenover elkaar. Onze democratie zou vitaler kunnen: meer publieke aandacht voor keuzen waarvoor wij als land staan, dilemma's waarmee wij worden geconfronteerd, afwegingen die elke regering moet maken. Meer zichtbaarheid ook van politiek conflict. Alles binnenskamers houden is de dood in de pot tot de vlam in de pan slaat.

Volksvertegenwoordigers zijn de veerlui tussen de stemmen van het volk en de verantwoordelijkheid van een regering. Zij varen belangen, eisen, verlangens, emoties over, van burgers naar overheid. Maar ook berichten zij terug, in termen van algemeen belang, lange termijn, geopolitieke situatie.

Gemakzuchtige politici weigeren dit prachtvak uit te oefenen. Ze varen niet. Je hebt ze in twee soorten: de populist staat te schreeuwen op de ene oever, de regent wil het liefst alles stilletjes regelen op de andere oever. De een isoleert zich, de ander vergeet dat hij is gekozen. De een toont geen verantwoordelijkheid, de ander legt geen verantwoording af. De democraat doet beide wel; hij overbrugt.

Volksvertegenwoordigers in Europa staan op dit moment voor een zware opgave: Turkije, in het bijzonder de toetreding van dat land tot de Europese Unie. De stroom is namelijk breed en kolkend tussen enerzijds de 25 regeringen van de Unie, die (vermoedelijk) op het punt staan de onderhandelingen met Turkije te openen per 2005, en anderzijds de 25 bevolkingen die alle polls wijzen dit uit overwegend sceptisch zijn en in deze kwestie terecht geen regentesk gedrag tolereren, geen door-de-strot-duwerij. De kloof tussen de vox populi en de macht was zelden zo groot. Wat moeten parlementariërs doen? Kunnen wij de Bosporus over?

Veel is hierover al gezegd. In Nederland spraken de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, het Centraal Planbureau en de Adviesraad voor Internationale Vraagstukken: geen onoverkomelijke bezwaren. Maar wie leest die rapporten? De voorgeschiedenis is bekend: Turkije heeft het perspectief van toetreding sinds 1963, en de formele status van kandidaat-lid sinds 1999. Toch voelen de kiezers zich overrompeld. Ook de voorwaarden zijn helder: democratische rechtsstaat, mensenrechten, een functionerende markteconomie. Maar welke burger spreekt de taal van `Kopenhagencriteria' en acquis communautaire ?

Volgens sommigen wordt de weerstand tegen de Turkse kandidatuur veroorzaakt door ,,vooroordelen, misconcepties, angsten en irrationaliteiten'' (de Finse oud-president Martti Ahtisaari, NRC Handelsblad 9 sept). Kan zijn, maar dan heb je wel een probleem. Waar de regent zucht over het domme volk en de populist het ongenoegen nog opstookt, daar gaat de democraat aan het werk.

De VVD-fractie vindt het tijd duidelijkheid te geven. Wij zijn unaniem van mening dat er geen principieel beletsel is voor Turkijes lidmaatschap van de Unie, maar wij stellen daar strenge voorwaarden aan. Wij willen namelijk invloed uitoefenen op het onderhandelingsproces. Wie zich tot `nooit' bekent, zit machteloos aan de kant. De VVD-fractie kiest ervoor als speler op de bres te staan voor stevige eisen aan Turkse toetreding.

Ik noem kort vier voorwaarden. Ten eerste, scherpe naleving van mensenrechten, in het bijzonder van vrouwen en minderheden voor liberalen vanouds een voornaam punt. Ten tweede, instandhouding van de seculiere grondslag van de Turkse staat en dus geen invoering van islamitisch familierecht. Ten derde, opschorting van vrij personenverkeer tot na toetreding ter bescherming van onze arbeidsmarkt. Ten vierde, terugdringen van de invloed van de Turkse overheid (zoals uitgeoefend via het directoraat voor Godsdienstzaken Diyanet) op Turkse Nederlanders.

De twee laatste voorwaarden zullen herhaling voorkomen van de problemen die wij kennen van de eerste generatie gastarbeiders. Turkse toetreding mag niet worden verward met het integratievraagstuk, zoals in de beeldvorming gebeurt. Stijging van de welvaart in Turkije (dit jaar 6 procent groei) zal waarschijnlijk leiden tot remigratie zoals ook gebeurde toen Griekenland, Spanje en Portugal EG-Lid werden.

Een ander aspect betreft de positieve gevolgen voor de Europese Unie. Tijdens het onderhandelingsproces met Turkije een grote en arme lidstaat zal blijken dat het Europese landbouw- en regiobeleid in de huidige vorm onbetaalbaar wordt. Dit is het beste drukmiddel voor een radicale hervorming ervan die de VVD zich kan wensen.

Dit is het ene front waarop de VVD aan het werk gaat: voorwaarden afdwingen met onderhandelingsmacht. Het andere front is: mensen bereiken met overtuigingskracht. Wij zullen, desnoods tegen de angsten in, duidelijk maken waarom wij geen principieel bezwaar hebben tegen een Turks lidmaatschap. Wij delen dus niet de opvatting van de Franse revolutionair die zei: ,,Ik ben hun leider, daarom moet ik hen volgen.'' Politici moeten soms juist voorgaan, uitleggen wat de feiten en de situatie behelzen, en daarop worden afgerekend.

De volksvertegenwoordiger is inzake Turkije veerman tussen burgerangst en regeringsverantwoordelijkheid. Die beide kan hij nader tot elkaar brengen. Mocht de spanning toch te groot blijven, dan kunnen we de burger rechtstreeks bij de zaak betrekken. Anders gezegd: waarom niet een referendum over het toetredingsverdrag met Turkije?

Er is een precedent in de geschiedenis van de Unie. In april 1972 hield Frankrijk een referendum over de eerste uitbreiding van de toenmalige EEG met Ierland, Denemarken en Groot-Brittanië. Om dat laatste land ging het. Britse toetreding was jarenlang geblokkeerd door een non van president De Gaulle (1958-1969). Die vond dat Europa ophield aan deze zijde van het Kanaal. De Gaulle's opvolger Pompidou zocht toenadering tot Londen. Maar hij verzekerde zich van de instemming van het Franse volk: bij het referendum over het toetredingsverdrag stemde 68 procent voor toetreding van de Britten (opkomst 60 procent).

Waarom zouden wij dit in Nederland niet zo doen inzake Turkije? Waarom wel een referendum over de Europese Grondwet en niet over deze zeer gevoelige toetreding? Stel dat in december wordt besloten de toetredingsonderhandelingen te openen per 2005. Die onderhandelingen duren minstens een decennium. Op zijn vroegst in 2015 zal de Europese Raad van regeringsleiders unaniem een toetredingsverdrag moeten tekenen. Vervolgens moet het in alle lidstaten worden geratificeerd. De keuze voor de parlementaire of referendaire weg is aan elk land. De Nederlandse bevolking zou zich in 2016 of 2017 rechtstreeks kunnen uitspreken over deze uitbreiding.

De uitslag staat niet vast. De VVD-fractie zal in de periode tot 2016 hard werken: bij de aanstaande beslissing en op elk moment van de onderhandelingen, op straffe van opschorting, blijven hameren op onze harde en strenge voorwaarden. Daarnaast zullen wij die tijd gebruiken om de kiezers duidelijk te maken wat er op het spel staat, en ons integratievraagstuk thuis definitief op te lossen. Ons `ja' is voorwaardelijk en moet aan Brusselse onderhandelingstafels én in Nederlandse binnensteden worden verdiend.

Jozias van Aartsen is voorzitter van VVD-Tweede-Kamerfractie.

www.nrc.nl/opinie eerdere artikelen in deze serie over de EU en Turkije.

    • Jozias van Aartsen