Bloed aan het kunstwerk

Pam Emmeriks bundel met stukken over kunst uit De Groene Amsterdammer en NRC Handelsblad is als enige non-fictiewerk genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. Je zou denken dat haar boek eerder voor een journalistieke prijs in aanmerking kwam, maar de artikelen in Het wonder werkt hebben een onmiskenbaar literair karakter. Terecht worden ze op het omslag aangekondigd als `verhalen over kunst'.

Het ongewone, on-essayistische van die verhalen zit hem in Emmeriks hoogstpersoonlijke toon. Ze begint het eerste stuk met een herinnering aan de yogalessen die ze op haar vijftiende van een pater-jezuïet kreeg – om daarna te schrijven: `Het is me opgevallen dat heel wat artikelen over beeldende kunst beginnen met jeugdherinneringen. [...] Beschaafde, veilige herinneringen die niets onthullen over de persoon die ze opgeschreven heeft.' Die zogenaamd persoonlijke invalshoek lijkt haar `iets dat doorgesijpeld is uit de kunst zelf, omdat sinds een jaar of tien, vijftien zoveel kunstenaars hun persoonlijke ervaringen tot inzet van hun werk maken. Maar in tegenstelling tot de meeste journalisten tonen kunstenaars vaak schaamteloos het falen, de hypocrisie en kwetsbaarheid van mensen.'

Dat Emmerik een dergelijke bespiegeling op haar eigen jeugdherinnering laat volgen, doet al vermoeden dat zij kritischer met persoonlijke ontboezemingen omgaat. Ook bij haar gaat het vaak over het verband tussen de kunst en het echte leven, háár echte leven, maar ze schrijft daar eerlijker, origineler en relativerender over dan de journalisten die ze bekritiseert. Anders dan de meeste kunsttheoretici maakt Emmerik zich bovendien nooit schuldig aan intellectuele krachtpatserij. `Keer op keer wordt van kunst een probleem gemaakt, over de ruggen van de kunstenaars heen', stelt ze vast. Zijzelf – behalve als schrijfster ook als beeldend kunstenaar werkzaam – denkt mee met de kunstenaars die ze bespreekt en ze becommentarieert hun werk en opvattingen geestig en helder. Als Merijn Bolink zegt `Er komen geen nieuwe atomen bij, dus in principe kun je ze terug in de tijd volgen. Een atoom dat nu in een pak sinaasappelsap zit, was in 1967 misschien wel moedermelk', dan voegt Emmerik daaraan toe: `Of in 1945 Adolf Hitler, maar dat drinkt niet zo lekker.'

Degas hield niet van de natuur, schrijft ze elders, want `hij vond haar te Monet-achtig.' Zo kun je dus ook over kunst schrijven: grappig en meeslepend. De lezer heeft vanaf het begin het gevoel dat hij in vertrouwen wordt genomen, alsof Emmerik hem een brief schrijft. `Ik was nooit eerder in Keulen geweest. Daarom bezocht ik de beroemde Dom. Vanbuiten was hij oké, vanbinnen vond ik er geen reet aan.' Behalve een verademing binnen de hedendaagse kunstjournalistiek is dit soort lompheid ook functioneel. Beroemde gebouwen en objecten zijn niet vanzelfsprekend belangrijk.

Juist omdat Emmerik soms zo ongenuanceerd korte metten maakt, neem je de kunst waarover ze wél uitgebreid en bevlogen schrijft serieus. Door haar uitgesproken betrokkenheid weet ze te enthousiasmeren voor de kunst die er in haar ogen toe doet. In pogingen om die te doorgronden of te verklaren gaat ze meestal na hoe het kunstwerk zich tot de werkelijkheid verhoudt. Ze maakt in haar essays inventieve montages tussen ervaringen in galeries en musea en ervaringen op straat. Die zigzagbenadering, zei ze onlangs in een radio-interview, `pompt het bloed in zo'n stuk'.

`Soms denk ik dat de werkelijkheid een verhevigde vorm van kunst is, in plaats van andersom', schrijft ze. En in een ander verhaal: `Terwijl de kunst zich probeert te voegen naar het leven, lijkt het leven zich op haar beurt juist in omgekeerde richting te begeven.' Emmerik bekritiseert het teveel aan ongestileerde werkelijkheid in de installaties van Maria Pask en Elke Krystufek, en het tekort daaraan in de schilderijen van René Magritte. Dat ze alleen twintigste-eeuwse en hedendaagse kunst behandelt, wekt geen verbazing. `Want al dit gejojo met kunst en werkelijkheid is uiteindelijk te herleiden tot één man, schaker, sigarenroker, aartsprovocateur Marcel Duchamp', stelt ze al in het eerste verhaal.

En daarmee zijn we terug bij Emmeriks typische schrijfstijl. Waar anderen het hebben over de interferentie van kunst en werkelijkheid, of wat minder plechtstatig over het spel daartussen, daar spreekt zij van: het gejojo. Zulke gewone woorden zijn in de kunstkritiek ongebruikelijk. Emmerik schrijft doortimmerde stukken, scherp en intelligent, maar bovenal onderscheidt ze zich toch door die heldere, lichtvoetige verteltrant. Het boek van Pam Emmerik verandert niet alleen je kijk op de kunst, wat al een prestatie van formaat is, maar ook je kijk op het schríjven daarover.

Pam Emmerik: Het wonder werkt. Verhalen over kunst. Querido, 216 blz. €21,95