Belgrado ruziet met Hongaren

De regering van Servië heeft uiterst negatief gereageerd op Hongaarse initiatieven, etnisch geweld tegen de Hongaarse minderheid in de Servische regio Vojvodina aanhangig te maken bij de internationale gemeenschap.

Hongarije heeft de Europese Unie, de Raad van Europa en het Europees Parlement benaderd met het verzoek de talrijke gevallen van etnisch geweld tegen de Hongaren in de Vojvodina te bespreken en te veroordelen. De EU-ministers van Buitenlandse Zaken bespreken op Hongaars verzoek het probleem volgende week maandag. De Hongaarse regering stelt dat ze Belgrado al maanden geleden heeft gevraagd om maatregelen, maar dat de Serviërs niet hebben gereageerd.

De Hongaren, maar ook neutrale mensenrechtenorganisaties als het Helsinki Comité hebben de eerste helft van dit jaar al meer dan tweehonderd incidenten gecatalogiseerd. Ze variëren van aframmelingen van leden van de Hongaarse minderheid tot het vernielen van grafstenen op Hongaarse kerkhoven, het omverhalen van Hongaarse standbeelden en graffiti met teksten als `Dood aan de Hongaren'.

Premier Vojislav Koštunica bracht woensdag een bezoek aan drie steden in de noordelijke regio. Na dat bezoek zei hij volgens het nieuwsbulletin VIP dat er ,,een paar etnische incidenten'' zijn geweest, maar dat dat ,,individuele gevallen zijn''. Er is volgens hem ,,geen noodzaak het probleem te internationaliseren'', want daarmee ,,wordt de zaak buiten proporties opgeblazen en wordt het gevaar van het verspreiden van inter-etnische intolerantie alleen maar groter''. Koštunica wil het probleem volgende week bespreken met de Hongaarse president, Ferenc Mádl.

Gisteren lieten ook andere Servische politici, zoals de minister voor Minderheden, Rasim Ljajic, zich in die zin uit over het Hongaarse initiatief. De minister van Buitenlandse Zaken van de unie Servië en Montenegro, Vuk Draškovic, zei in Rome dat de door de Hongaren aangehaalde incidenten in de Vojvodina ,,geen etnisch of religieus karakter hebben'' en dat hij de noodzaak om Brussel in te schakelen, niet inziet. Maar woordvoerders van de Hongaarse minderheid uitten zich tevreden over het initiatief van Boedapest. József Kasza, de belangrijkste leider van de minderheid en ex-vice-premier van Servië, zei dat hij al in maart bij Koštunica persoonlijk de zaak aanhangig heeft gemaakt, maar dat ,,de Servische regering het probleem niet wil oplossen''. Pál Sándor, leider van een van de Hongaarse partijen in de Vojvodina, zei dat het in de regio al sinds 1991 gaat om ,,een soort speciale oorlog van lage intensiteit, en over een lange tijdsperiode''.

Vojvodina behoorde tot 1920 tot Hongarije en maakt sindsdien deel uit van Servië. Er wonen in de regio 27 verschillende etnische groepen, waarvan de Serviërs de grootste en de Hongaren (met vijftien procent) de op een na grootste zijn. Er wonen ook veel Roemenen, Roethenen, Roma, Russen en Wit-Russen. De afgelopen tien jaar is het oorspronkelijke evenwicht verstoord door de komst van 200.000 Servische vluchtelingen uit Kroatië, Bosnië en Kosovo. Het aantal etnische incidenten is sindsdien drastisch toegenomen. Voor de vluchtelingen moest onderdak worden geschapen, hetgeen in veel gevallen gebeurde door leden van minderheden te intimideren. Tienduizenden Hongaren en Kroaten hebben de Vojvodina inmiddels verlaten. Het percentage Serviërs steeg tussen 1991 en dit jaar van 57 tot 70 procent van de bevolking van twee miljoen.

Volgens de Hongaren is sinds begin dit jaar een sterke stijging van het aantal etnische incidenten in Vojvodina geregistreerd, vooral na de anti-Servische rellen in Kosovo in maart.