Vergiftigd door Poetin

De gruwelen van Beslan worden nog verergerd doordat de onderdanige Russische media zich laten intimideren, meent Anna Politkovskaja. Honderd procent dienstbaarheid aan president Poetin is vereist.

De ochtend van 1 september. De berichten uit Noord-Ossetië zijn nauwelijks te geloven: een school in Beslan is overvallen. Terwijl ik in een halfuur mijn spullen pak, pijnig ik mijn hersens: hoe kom ik naar de Kaukasus? Nog een idee: Aslan Maschadov, de leider van de Tsjetsjeense separatisten, zoeken, hem uit zijn schuilplaats zien te krijgen, naar de gijzelnemers sturen en laten vragen om de kinderen vrij te laten.

Daarna kwam een lange avond op luchthaven Vnoekovo. Massa's journalisten probeerden een vliegtuig naar het zuiden te krijgen, maar juist die vluchten hadden vertraging. Het is duidelijk dat bepaalde mensen ons enig uitstel toewensen. Ik gebruik mijn gsm en spreek openlijk over het doel van mijn vlucht: ,,Zoek Maschadov'', ,,haal Maschadov over''.

Openlijk praten via onze gsm's doen we allang niet meer; we gaan ervan uit dat ze worden afgeluisterd. Maar dit is een noodgeval. Na een tijd stelt een man zich aan mij voor; hij zegt dat hij van de leiding van de luchthaven is. ,,Ik zet u op een vlucht naar Rostov.'' In het busje vertelt de chauffeur me dat de FSB, de Russische geheime dienst, hem heeft gezegd mij op de vlucht naar Rostov te zetten. Bij het instappen kruist mijn blik die van drie passagiers die bij elkaar zitten: boosaardige ogen die een vijand bespeuren. Ik schenk er geen aandacht aan, zo kijken de meeste FSB-mensen naar mij.

Het vliegtuig stijgt op. Ik vraag om thee. Van Rostov naar Beslan is over land een reis van uren, en de oorlog heeft mij geleerd dat je beter niet kunt eten. Om tien voor tien 'savonds drink ik de thee. Om tien uur besef ik dat ik de stewardess moet roepen, want ik verlies snel het bewustzijn. Mijn verdere herinneringen zijn verward: de stewardess huilt en roept: ,,We landen, hou vol!''

`Daar bent u weer'', zei een vrouw die zich in het regionale ziekenhuis in Rostov over mij heen boog. De zuster vertelt me dat ik toen ze mij binnenbrachten ,,vrijwel hopeloos'' was. Daarna fluistert ze: ,,Kind, ze hebben geprobeerd je te vergiftigen.'' Alle monsters die op het vliegveld zijn genomen, zijn vernietigd – op bevel ,,van boven'', zeggen de dokters.

Intussen gaan de verschrikkingen in Beslan door. Op 2 september gaat het daar vreemd aan toe: overheidsfunctionarissen spreken niet met de familie van de gijzelaars, die van niemand iets te horen krijgt. De familieleden bestormen de journalisten, ze smeken hun om de autoriteiten te vragen om een of andere uitleg. De verwanten van de gijzelaars zitten in een informatievacuüm. Maar waarom?

Die ochtend wordt, eveneens op Vnoekovo, Andrej Babitsky onder een bedrieglijk voorwendsel vasthouden. Zo wordt nóg een journalist die erom bekendstaat dat hij zijn onderzoekingen tot het uiterste doorzet en die in de buitenlandse pers geen blad voor de mond neemt, ervan weerhouden naar Beslan te gaan.

Wij horen het nieuws dat Roeslan Aoesjev, de voormalige president van Ingoesjetië, wiens voorstel voor een schikking in de Tsjetsjeense crisis door de autoriteiten is afgewezen, ineens de onderhandelingen met de terroristen in Beslan binnenstapt. Hij was er in zijn eentje naar binnen gegaan, omdat men in het hoofdkwartier van de veiligheidstroepen, dat verantwoordelijk was voor de onderhandelingen, het anderhalve dag lang niet eens kon worden over de vraag wie er als eerste op af zou gaan. De militanten geven Aoesjev drie baby's mee en ze laten vervolgens nog eens 26 kinderen en

hun moeders gaan. Maar de media verzwijgen Aoesjevs moedige optreden: geen onderhandelingen, er is niemand naar binnen gegaan.

Het wordt 3 september, en de familieleden van de gijzelaars weten helemaal niets. Ze zijn vertwijfeld: ze denken allemaal aan de bezetting van het Doebrovka-theater, waar 129 mensen om het leven kwamen toen de veiligheidstroepen de impasse doorbraken door het gebouw vol gas te spuiten. Zij weten nog hoe de overheid toen loog.

De school is omringd door mensen met jachtgeweren, gewone mensen, vaders en broers van de gijzelaars, die niet meer op hulp van de staat durven rekenen en die besloten hebben hun familieleden zelf te redden. Zo is het de afgelopen vijf jaar in de tweede Tsjetsjeense oorlog steeds gegaan: de mensen hebben alle hoop op bescherming door de staat laten varen en verwachten van de veiligheidstroepen alleen maar onwettige executies. Dus proberen zij zichzelf en hun dierbaren te verdedigen. Zelfverdediging loopt uiteraard uit op lynchpartijen, dat kan niet anders. Na de bezetting van het theater in 2002 hebben de gijzelaars een vreselijke ontdekking gedaan: red jezelf, want de staat kan alleen maar helpen je te vernietigen.

Nu in Beslan gaat het niet anders. De overheid blijft liegen. De media dragen de officiële zienswijze uit. Dat noemen zij ,,een staatsgezinde positie innemen'', dat wil zeggen goedkeuren wat Vladimir Poetin doet. De media hebben over hem geen woord van kritiek, net zo min als over de persoonlijke vrienden van de president, die toevallig aan het hoofd staan van de FSB, het ministerie van Defensie en het ministerie van Binnenlandse Zaken. In drie dagen van verschrikkingen in Beslan hebben de `staatsgezinde media' nooit hardop durven zeggen dat de veiligheidstroepen waarschijnlijk iets fout deden. Zij hebben geen moment aan de Doema en de Federatieraad – het parlement – durven suggereren dat die er goed aan zouden doen een noodzitting te houden over Beslan.

Hét grote nieuws is dat Poetin 's avonds naar Beslan vliegt. Wij zien Poetin de veiligheidstroepen bedanken, wij zien president Dzasochov, maar geen woord over Aoesjev. Hij is een ex-president, hij is uit de gratie, omdat hij er bij de autoriteiten op heeft aangedrongen een einde te maken aan de Tsjetsjeense crisis, om die niet te laten uitlopen op een tragedie die de staat niet aan zou kunnen. Poetin maakt geen melding van het heroïsche optreden van Aoesjev, en dus zwijgen de media.

Het is zaterdag 4 september, de dag na de vreselijke afloop van de gijzelcrisis in Beslan. Een ontstellend aantal slachtoffers, het land verkeert in een shock. Dat er tal van vermisten zijn, wordt door de overheid ontkend. Dit alles was het onderwerp van een briljante en naar de huidige maatstaven zeer gedurfde zaterdageditie van de krant Izvestia, die opende met de kop ,,De stilte aan de top''. De reactie van officiële zijde kwam snel: hoofdredacteur Raf Sjakirov werd ontslagen. De Izvestia is eigendom van nikkelbaron Vladimir Potanin, die de hele zomer in zijn piepzak heeft gezeten, omdat hij bang was dat hem hetzelfde zou overkomen als Michaïl Chodorkovsky, de rijkste man van Rusland, die was gearresteerd op beschuldiging van fraude. Zonder twijfel probeerde hij nu bij Poetin in een goed blaadje te komen, met als gevolg dat Sjakirov, een bekwaam krantenbestuurder en over het geheel genomen een aanhanger van het establishment, buitenspel staat als moderne dissident – en dát omdat hij

maar eventjes van de officiële lijn is afgeweken.

Je zou denken dat journalisten een protest zouden organiseren om Sjakirov te steunen. Natuurlijk niet. De Russische Vereniging van Journalisten en de Mediavereniging hielden zich stil. Alleen een journalist die loyaal is jegens het establishment is ,,een van ons''. Als de journalisten de zaak die wij dienen op zo'n manier benaderen, betekent dat de doodssteek voor het grondbeginsel dat wij onze best doen om het volk te laten weten wat er gebeurt, opdat het de juiste beslissingen kan nemen.

De gebeurtenissen in Beslan hebben laten zien dat een informatievacuüm desastreuze gevolgen heeft. De mensen keren zich af van de staat die hen in de steek heeft gelaten, en proberen zelf iets te doen, zelf hun dierbaren te redden en eigen rechter te spelen jegens de boosdoeners. Later heeft Poetin verklaard dat de tragedie in Beslan niets te maken had met de Tsjetsjeense crisis, en dus hebben de media daar verder niet over bericht. Beslan is dus net als 11 september: het gaat alleen maar om Al-Qaeda. Over de oorlog in Tsjetsjenië, die deze maand vijf jaar aan de gang is, hoor je niets meer. Dit is onzin, maar ging het in de Sovjet-tijd – toen iedereen wist dat de overheid raaskalde maar toch deed alsof de keizer nieuwe kleren droeg – niet net zo?

Wij tuimelen halsoverkop terug in de Sovjet-afgrond, in een informatievacuüm dat betekent dat wij aan onze eigen onwetendheid ten onder zullen gaan. Ons rest alleen internet, waar informatie nog vrijelijk verkrijgbaar is. Maar als je als journalist verder iets wil doen, dat is het honderd procent dienstbaarheid aan Poetin. Anders kan het uitlopen op je dood door een kogel, vergif of een rechtszaak – net zoals het onze veiligheidstroepen, Poetins waakhonden, uitkomt.

Anna Politkovskaja werkt als journaliste voor de krant Novaja Gazeta; zij is met tal van prijzen bekroond voor haar berichtgeving over het conflict in Tsjetsjenië, en heeft een rol gespeeld in de onderhandelingen met de gewapende overvallers die in oktober 2002 het Doebrovka-theater in Moskou bezetten. Ze staat bekend om haar kritische houding tegenover het beleid van president Poetin inzake Tsjetsjenië.

    • Anna Politkovskaja