Turkse toetreding blijft splijtzwam

De vele positieve rapporten over de toetreding van Turkije tot de EU staan in schril contrast tot de scepsis en de opiniecijfers bij het publiek in de EU-landen.

En toen was er weer een positief rapport over Turkije. Nadat eerder de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, het Centraal Planbureau en de Adviesraad voor Internationale Vraagstukken om uiteenlopende redenen lieten weten geen onoverkomelijke hindernissen te zien voor onderhandelingen over Turkse toetreding tot de Europese Unie, was het gisteren de beurt aan de zogeheten Onafhankelijke Commissie voor Turkije. Een groepje oud-bewindslieden uit heel Europa, onder wie de Finse oud-president Martti Ahtisaari, de Franse oud-premier Michel Rocard en oud-minister Hans van den Broek, kwam met gelijkluidende conclusies (zie kader). Het rapport waarmee de commissie van oudgedienden dezer dagen door Europa reist om het te bespreken met regeringsleiders als Balkenende en Schröder is betaald door de British Council en het Open Society Institute van de Amerikaanse filantroop George Soros waar Mabel van Oranje – voorheen Wisse Smit – werkt.

De publieke opinie in Europa beweegt zich in tegenovergestelde richting. Die is sceptisch over een mogelijke Turkse toetreding. In een onderzoek van opiniepeiler Maurice de Hond op 24 augustus zei 57 procent `ja' op de stelling: Ik ben er tegen dat Turkije tot de EU toetreedt; 27 procent was voor. Ook in andere Europese landen heerst, blijkens peilingen, wantrouwen. In Oostenrijk is driekwart van de bevolking ronduit tegen Turkse toetreding. En volgens recente cijfers, vandaag geciteerd in de Financial Times, vindt slechts 16 procent van de Fransen, 26 procent van de Duitsers en 33 procent van de Britten de Turkse toetreding een goede zaak.

En dus lag gisteren tijdens een lunch van onder anderen Ahtisaari, Van den Broek en Van Oranje met enkele Nederlandse journalisten in Wassenaar de vraag op tafel of de rapportenregen de publieke opinie niet eerder wantrouwig maakt dan gunstig stemt. Temeer daar alle grote politieke partijen in de Tweede Kamer naar alle waarschijnlijkheid ook vóór opening van de onderhandelingen met Turkije zullen stemmen.

Voor voorzitter Ahtisaari is één ding glashelder: niet de rapporten, maar ,,vooroordelen, misconcepties, angsten en irrationaliteiten'' veroorzaken in belangrijke mate de weerstanden tegen de Turkse kandidatuur. Dat komt volgens hem omdat de Turks migratie van dertig jaar geleden naar landen als Nederland en Duitsland met alle problematische gevolgen de discussie nu sterk bepaalt ,,Terwijl de migratie van toen en die van nu en in de toekomst volstrekt onvergelijkbare fenomenen zijn, zo blijkt uit allerlei onderzoek. Ik acht het mijn ereplicht om de publieke discussie van objectieve feiten te voorzien. Dat komt omdat ik erbij was toen in 1999 in Helsinki de Turken het kandidaat-lidmaatschap werd toegekend. Als het aan de criteria over mensenrechten, rechtstaat en dergelijke voldoet, moeten de onderhandelingen beginnen.''

,,Het is werkelijk belachelijk'', klaagt de Oostenrijker Albert Rohan, voormalig secretaris-generaal van het Oostenrijkse ministerie van Buitenlandse Zaken, en eveneens lid van de commissie. ,,In mijn land denken ze dat we na de Turkse toetreding allemaal moslim worden. Iedereen schermt weer met de slag tegen de Turken bij Wenen in 1683. Ongelooflijk.''

Hans van den Broek haast zich te verklaren dat het ook goed mogelijk is om op rationele gronden tegen Turkse toetreding te pleiten. Toch oordeelt ook hij dat de publieke discussie in Nederland over Turkije laat op gang is gekomen, hetgeen het feitelijk gehalte volgens hem geen goed doet. ,,Een toch intelligent iemand als Ronald Plasterk verkondigt in televisieprogramma Buitenhof rustig dat het besluit in Helsinki over de Turkse kandidatuur in vijf minuten genomen is. Terwijl dat aantoonbaar onjuist is!'' De rapportenregen is wat hem betreft een zegen, voorzover die het publieke debat ,,geïnformeerder en objectiever'' maakt. ,,Ik vraag me af of alle beschikbare informatie op dit moment wel goed naar buiten komt. Nederland zit daarbij als huidig EU-voorzitter in een lastige positie, omdat het zich terughoudend moet opstellen.''

Opiniecijfers drukken volgens Ahtisaari zelden de dubbelzinnigheid uit die een publieke opinie eigen is. ,,De cijfers doen me denken aan de tijd dat aan inwoners van Finland werd gevraagd naar een NAVO-lidmaatschap. Slechts 25 procent was voor. Maar toen werd gevraagd of men dacht dat Finland NAVO-lid zou worden, zei ineens 60 procent dat dit inderdaad zou gebeuren.'' Overigens is Finland nooit NAVO-lid geworden.