Rotterdam `lastige stad'?

Toen ik, in Amsterdam geboren en getogen, in Rotterdam kwam werken, vielen mij al vrij spoedig twee dingen op. In de eerste plaats de trots van de Rotterdammers op hun stad – een trots die neerkwam op lokaal nationalisme, maar dan een nationalisme zonder vijandelijkheid: degeen die van buiten kwam, werd er als ieder ander bejegend, tenzij hij neerbuigend of arrogant optrad.

Zo'n optreden werd Amsterdammers vaak verweten. Niet pas in mijn tijd. Ook al vroeger. Zo schreef de essayist J. Saks in 1920: ,,Amsterdam heeft het gevoel de sterkste, wijl de oudste rechten te bezitten; in het land (daarentegen) leeft nog altijd de herinnering aan het oude onrecht zijner overheersching'' in de tijden der Republiek, toen het de eerste stad van Europa was.

Wie fusies tussen Amsterdamse en Rotterdamse bedrijven heeft gevolgd, komt nog steeds die klacht tegen: de Amsterdammers vertellen wel eventjes hoe het moet gebeuren – ook wanneer de krachtsverhoudingen ten gunste van Rotterdam zijn. Misschien was dat, aan Amsterdamse kant, onverwerkte wrok, want al in de negentiende eeuw had de Rotterdamse haven de Amsterdamse, die in vroeger eeuwen nr. 1 was, ruimschoots achter zich gelaten.

Zelf in Amsterdam opgegroeid, heb ik weinig van die arrogantie gemerkt. Daar moet je een buitenstaander voor zijn. Natuurlijk was (en is) er trots op de stad, maar meer als verworven recht dan, zoals in Rotterdam, omdat de prestaties van het ogenblik er aanleiding toe gaven.

Tot het Rotterdamse nationalisme droeg ook het bombardement van 1940 bij, dat vrijwel de hele oude stad vernietigd had. Maar er was geen gevoel van `ville martyre', wat verlammend kan werken. Overigens wordt wel eens vergeten dat Amsterdam, met de vernietiging van zijn vrijwel gehele joodse bevolking, bijna evenveel economische schade heeft geleden. Later, in de jaren '50, kwam daar het verlies van de handel op Indonesië bij.

Het tweede wat mij in Rotterdam opviel – en wat misschien wel zijdelings met het eerste te maken had – was dat daar de oude families het nog veelal voor het zeggen hadden (ook als in hun zaak de procuratiehouder in feite de drijvende kracht was). Dat was in het Amsterdam van mijn jeugd al lang niet meer het geval. Wie woonde er toen nog aan de grachten? De uittocht naar het Gooi, Kennemerland en Baarn was al in de eeuw daarvóór begonnen.

In Rotterdam was dat anders. Toen ik er kwam, werd het niet met een welwillend oog aangezien wanneer Rotterdammers niet in de stad bleven wonen, maar naar bijvoorbeeld Wassenaar verhuisden,

hoewel door het bombardement velen ertoe gedwongen waren geweest. In elk geval heeft het forensendom tot gevolg dat men 's avonds minder beschikbaar is voor activiteiten in de stad, wat het Rotterdamse nationalisme nauwelijks duldde.

De symbiose tussen stad en bedrijfsleven was dan ook veel groter dan in Amsterdam. De – meestal `roje' – burgemeester en de voorzitter van de Kamer van Koophandel waren vaak twee handen op één buik, ook onder de Nieuwlinkser André van der Louw, die ermee begonnen was om op 1 mei de rode vlag van het stadhuis te laten waaien.

Dit alles is in de ruim dertig jaar sinds ik Rotterdam verlaten heb, sterk veranderd. ,,Rotterdam begint meer en meer op Amsterdam te lijken'', dat verzuchtte een vriend van mij, Rotterdammer van geboorte, die emotioneel aangeslagen was door wat er kort tevoren in het Havenbedrijf was gebeurd. Hoewel zakelijk er niet bij betrokken, voelde hij zich als Rotterdammer in zijn trots aangetast. Zou een Amsterdammer bij soortgelijk geval zich dit ook zo persoonlijk hebben aangetrokken?

Maar in Rotterdams geschiedenis hadden zich al eerder schandalen van grote omvang voorgedaan; 125 jaar geleden barstte de luchtbel van Lodewijk Pincoffs' imperium, van de man aan wie Rotterdam zijn expansie in de negentiende eeuw grotendeels te danken heeft, de vriend van de bankier Marten Mees en dagelijkse raadsman van burgemeester Van Vollenhoven. Ongezien tekenden zijn commissarissen de vele falsificaties die hij hun voorlegde. Toen hij met de noorderzon naar Amerika vertrok, liet hij een schuld van bijna tien miljoen gulden (een reusachtig bedrag voor die tijd) na. De gemeente draaide ervoor op.

Hier was fraude in het spel, wat, voorzover bekend, bij het Havenbedrijf niet het geval is (wél daarentegen te veel goed vertrouwen). In 1924 deed zich ook zoiets voor: de Rotterdamse Bank (toen Rotterdamsche Bankvereeniging ofwel Robaver geheten) dreigde in moeilijkheden te komen. Dat zou, zo schreef een tijdgenoot (geen Rotterdammer) in zijn dagboek, ,,niet minder dan een nationale ramp beteekenen''. De overheid redde de bank met een staatsgarantie van 25 miljoen gulden.

Van recentere datum is de val van het OGEM-concern (in welks ontruimde kantoren, merkwaardig genoeg, het Havenbedrijf kwam te zitten). Levert de geschiedenis van Amsterdam ook zulke rampen op? Misschien heb ik een blinde vlek, maar mij schiet alleen de crisis in 1939 bij de Nederlandsche Handel Maatschappij te binnen, toen de bank Mendelssohn & Co, waarvan de NHM voor 30 miljoen gulden crediteur was, bankroet ging. Het kostte de president van de NHM de kop.

Natuurlijk, Amsterdam heeft ook andere schandalen gekend, maar die lagen meer bij de gemeente-instellingen (maar ja, dat is het Havenbedrijf Rotterdam, zij het sinds kort verzelfstandigd, ook) en lijken minder ontsteltenis gewekt te hebben bij de Amsterdammers, die misschien meer cynisch zijn, dan de genoemde crises bij de Rotterdammers.

Of is dit maar schijn en hebben de Rotterdammers intussen ook flink wat eelt op hun ziel gekregen? De bevolking was in het verleden aanzienlijk gedisciplineerder dan die in Amsterdam, maar in 2002 kreeg de Lijst Pim Fortuyn er plotseling bijna 30 procent van de stemmen (tegen 17 in het hele land en 16,5 in Amsterdam). Kennelijk is er iets aan de hand wat het stereotypisch (zelf)beeld van Rotterdam logenstraft.

Misschien is dit een vertraagde ontwikkeling en komt, zoals Rotterdam nog een paar generaties na Amsterdam een regentenstad bleef, nu ook de bevolking in beweging (niet noodzakelijkerwijs in progressieve richting) en gaat Rotterdam de naam verdienen die Amsterdams burgemeester Van Hall in de jaren '60 aan zijn stad gaf: die van `lastige stad'.

f

    • J.L. Heldring