Reddingsboei voor de verzorgingsstaat?

Over twaalf dagen presenteert het kabinet zijn begrotingsvoorstellen voor 2005. Veel voornemens zijn al uitgelekt. Nieuwe bezuinigingen zijn op komst, die de koopkracht van gezinnen aantasten. Het kabinet plakt hier en daar een pleistertje op de wonden. De AOW-uitkering aan senioren gaat volgend jaar met 5 euro per maand extra omhoog. Onduidelijk is nog of alle ouderen in dezelfde mate van deze koopkrachtreparatie zullen profiteren.

In magere tijden, wanneer de overheid ieder eurodubbeltje omdraait, ligt het voor de hand koopkrachtsteun vooral te geven aan mensen die hoofdzakelijk van hun AOW moeten rondkomen. Waarom zouden bejaarden met een goed aanvullend pensioen of wat vermogen in aanmerking moeten komen voor het vijfje van Sociale Zaken? Geld dat wordt bespaard door bemiddelde senioren uit te sluiten van de toeslag is vervolgens beschikbaar om armlastige ouderen maandelijks in plaats van 5 zeg 6 of 7 euro extra te geven. Het schip van onze verzorgingsstaat dreigt financieel op de klippen te lopen. Maar ogenschijnlijk is een reddingsboei aan boord: spits alle sociale uitkeringen sterker toe op de onderkant van het inkomensgebouw.

Zo'n operatie roept echter nieuwe vragen op. Waarom ontvangen vermogende ouderen überhaupt een AOW-uitkering? En waarom maken we ook de kinderbijslag niet inkomensafhankelijk? Méér bijslag voor gezinnen die moeilijk kunnen rondkomen, en een lagere uitkering voor ouders uit de middenklasse. Hogere inkomensgroepen kunnen alle kosten van kinderen ook wel zelf opbrengen. Dat vindt in elk geval professor Hans Adriaansens, voorzitter van de Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling. In een essay in de Volkskrant van 4 september noemt hij het een structurele tekortkoming van de verzorgingsstaat, dat publieke middelen worden uitgekeerd aan mensen die het geld feitelijk niet nodig hebben. Zijn conclusie: ouders hebben niet langer in gelijke mate aanspraak op kinderbijslag en ouderen met een handicap moeten hun badkamer op eigen kosten laten aanpassen wanneer ze het zelf kunnen betalen. Zij dienen daarvoor geen beroep te kunnen doen op subsidie van de gemeente. ,,Zo komt het geld terecht bij mensen die de voorzieningen het meest nodig hebben.''

Het klinkt sympathiek, maar de redenering deugt voor geen meter. Neem de AOW. Voordat deze wet in 1957 werd ingevoerd, bestond een noodvoorziening voor ouderen zonder andere inkomsten. Deze uitkering wás inkomensafhankelijk, zoals Adriaansens wenst. Destijds werd elke gulden eigen inkomen voor 100 procent op de nooduitkering gekort. Algemeen werd dit uiterst oneerlijk gevonden. Wie altijd spaarzaam had geleefd, werd daarvoor op zijn oude dag gestraft, want die kreeg geen geld van de overheid. Wie daarentegen jarenlang al zijn geld over de balk had gegooid, kreeg een volledige, zij het sobere uitkering. Zelf sparen voor je oude dag is bij een inkomensafhankelijke AOW voor veruit de meeste Nederlanders niet langer lonend. Zelfs een kostwinner met een aanvullend pensioen van 15.000 euro zou zijn hele leven lang voor niets aan de pensioenregeling hebben deelgenomen. Want dit hele bedrag zou op de AOW-uitkering van hem en zijn echtgenote (samen 15.906 euro) worden gekort. Sociaal-democraten als Drees en Suurhoff vonden de dreigende ontmoediging van de spaarzin in de jaren vijftig een doorslaggevend argument om de AOW-uitkering inkomensonafhankelijk te maken.

Inkomensafhankelijke regelingen tasten niet alleen de spaarzin aan. Stel dat in de toekomst de kinderbijslag met 20 eurocent zou worden gekort voor elke euro eigen verdiensten. Dit maakt investeren in opleiding (voor een hoger inkomen), overwerken en promotie financieel een stuk minder aantrekkelijk. Van een extra verdiende euro zou de fiscus net als nu 40 tot 50 cent wegbelasten, maar tevens zou de kinderbijslag 20 cent lager uitvallen. De korting op de kinderbijslag werkt als een impliciete belasting van 20 procent, met als gevolg dat alle families met kinderen van 1 euro extra inkomsten in totaal 60 tot 70 cent kwijt zouden zijn. Gezinnen die daarnaast een beroep doen op al bestaande inkomensafhankelijke regelingen – huursubsidie, studiefinanciering – krijgen door de samenloop van heffingen en kortingen op inkomensafhankelijke uitkeringen te maken met een belastingdruk van meer dan 100 procent. Dit maakt het lonend de werkgever om salarisverlaging te vragen. Men gaat er dan – ondanks het lagere salaris – netto op vooruit, doordat aanspraak op veel meer uitkering- en subsidiegeld bestaat. Sommige spraakmakende sociaal-democraten zullen nog een ander tegenargument noemen. Het feit dat ook de middengroepen ongekort gebruik kunnen maken van regelingen zoals de kinderbijslag versterkt de steun voor de verzorgingsstaat onder brede lagen van de bevolking. Zouden alle uitkeringen worden toegesneden op de laagste inkomens, dan zal de steun voor die arrangementen onder hardwerkende middengroepen in hoog tempo afkalven.

De conclusie is onontkoombaar. De verzorgingsstaat valt niet te sauveren door steeds meer uitkeringen en subsidies inkomensafhankelijk te maken. Zijn gelijke uitkeringen voor allen `onbetaalbaar', dan is het onvermijdelijk voor alle uitkeringsontvangers de tering naar de nering te zetten.

    • Flip de Kam