En retour met de Bazaarlijn

Kenniseconomie, poldereconomie, diensteneconomie: er zijn zat termen om het al dan niet gewenste karakter van de Nederlandse bedrijvigheid weer te geven. Maar wat gedacht van een bazaareconomie? Het woord is in Nederland niet al te gangbaar, maar in het Engelse taalgebied staat het voor een netwerk van voornamelijk informele handelsactiviteiten, waarbij weinig zelf geproduceerd wordt.

Denk aan Afghanistan op dit moment.

Zo strikt bedoelt Annemarieke Christian, analist bij Morgan Stanley in Londen, die de term nu toepast op Nederland, het niet. Maar we gaan volgens haar wel die richting uit. Christian concentreert zich op de export van Nederland. Formeel gaat het daar best goed mee, al weet de exportgroei geen gelijke tred te houden met de groei van de wereldhandel. Nederland verliest dus `marktaandeel', zoals dat heet. Maar het beeld wordt nog zwarter als export wordt gesplitst in de uitvoer van hier geproduceerde goederen, en de wederuitvoer – dat wil zeggen: de verdere distributie in Europa van via Rotterdam en Schiphol ingevoerde goederen.

Het verschil tussen gewone uitvoer en wederuitvoer is groot. De toegevoegde waarde van hier geproduceerde, en vervolgens uitgevoerde goederen bedraagt zo'n 65 procent. De toegevoegde waarde van wederuitvoer is maar 10 procent. Productie en buitenlandse verkoop genereert dus veel en veel meer welvaart en werkgelegenheid dan het binnenhalen, ordenen en doorsluizen van goederen.

Op dit punt is een scheefgroei aan de gang. De toename van de `gewone' uitvoer was de afgelopen tien jaar jaarlijks gemiddeld 4 procent. Die van de wederuitvoer 11 procent. Een derde van de uitvoer is nu wederuitvoer, en dat was eind jaren tachtig nog maar een zesde. Geen wonder dat de importcomponent van de totale Nederlandse uitvoer is opgelopen tot een ongekend hoge 52 procent, tegen bijvoorbeeld 36 procent voor Duitsland.

De belangrijkste oorzaak van het teruglopen van de `echte' export ligt voor de hand. De Nederlandse werknemer is te duur geworden. Het antwoord ligt in zowel het verhogen van kennis en productiviteit, als het verlagen van de arbeidskosten. Maar wat was een van de grootste enkelvoudige beleidsprojecten van de laatste tien jaar? De Betuwelijn, de onbetwiste kampioen van de wederuitvoer. De staat pompte 4,7 miljard euro in een activiteit met een toegevoegde waarde van maar 10 procent.

De Bazaarlijn, dus. Misschien dat in het vervolg, voor het nastreven van de kenniseconomie iets meer economiekennis kan worden aangewend?

    • Maarten Schinkel