Bij de duizendste dode

De duizendste Amerikaanse militair is in Irak omgekomen, een treurige mijlpaal in een strijd die uitzichtloos begint te worden. Ook Irak telt zijn vele slachtoffers. Hulporganisaties en bedrijven die actief zijn in de wederopbouw stoppen met hun werk of worden terughoudender door de niets en niemand ontziende gijzelingen. De buitenlandse troepen die niet behoren tot de Amerikaans-Britse bezettingsmacht zitten onder loodzware omstandigheden hun tijd uit. Het meest van al zucht de bevolking onder het aanhoudende geweld. Aan een dictatoriaal bewind kwam een einde, met dank aan de Amerikanen. Maar de guerrilla en de wanorde die ervoor in de plaats kwamen, hebben het vertrouwen in de Amerikaanse almacht ondermijnd. Kofi Annan, secretaris-generaal van de Verenigde Naties, zei ware woorden toen hij eerder deze week opmerkte dat het geweld het gevoel van onveiligheid onder de bevolking versterkt en het vertrouwen van de Irakezen in hun politieke leiders aantast; een vertrouwen dat toch al gering is omdat velen het Iraakse interim-bewind zien als een ledenpoppenkabinet van Washington. Irak in het najaar van 2004 is een expansievat tot berstens gevuld met een gevaarlijk mengsel van agressie, terreur en publieke agitatie.

Begin volgend jaar moeten in Irak landelijke verkiezingen worden gehouden. Zoals de zaken er nu voorstaan zou dat onmogelijk zijn. In vier maanden tijd zou nog heel veel ten goede moeten veranderen voor een min of meer ongestoorde gang naar de stembus. De maanden sinds de machtsoverdracht hebben een onrustbarende trend te zien gegeven: de toestand is alleen maar erger geworden. De strijd escaleerde, de onveiligheid nam toe, er waren meer aanvallen op Amerikanen en aan beide kanten steeg het dodental. Zo soepel als de invasie verliep, en zo totaal als de overwinning van de coalitie was, zo taai en destructief is de huidige fase. Het is een oorlog die geen oorlog heten mag, maar die dat in feite wel is. Het roept twijfels op over het vermogen van de Verenigde Staten tot nation building, het voornemen van president George W. Bush om van Irak een democratie en een rechtsstaat te maken. De praktijk heeft geleerd hoe hol die begrippen zijn in zo'n gewelddadige omgeving, en hoe moeilijk ze als realiteit zijn af te dwingen door een buitenlandse mogendheid. De situatie in de regio wordt er intussen ook niet beter op. Iran laat volgens de Amerikaanse minister van Defensie, Rumsfeld, zijn macht meer en meer gelden in Irak. Rumsfeld is niet de enige die deze beschuldiging uit. Zijn Nederlandse collega Bot (Buitenlandse Zaken) zei onlangs in een Irak-debat in de Tweede Kamer ook al dat er vanuit Iran `invloeden en leveranties' zijn, overigens zonder dit nader te specificieren.

Aan de vooravond van de derde herdenking van `9/11' stemt het bitter dat de vijand van die gedoemde dag – het terrorisme – manifester is dan ooit en dat de gebeurtenissen in Irak daarop, zacht gezegd, een allesbehalve matigende invloed hebben gehad. De feiten zijn zoals ze zijn, en de vele goedwillende Irakezen en de internationale gemeenschap kunnen moeilijk anders dan doorgaan met werken aan een enigszins leefbaar land. Maar achteraf luidt de conclusie dat na `9/11' de nadruk veel meer op de bestrijding van het terrorisme had moeten liggen. `Irak' is nu voor extremisten een reden voor terreur geworden, een polarisatiepunt in een strijd die met de dag veelomvattender wordt.