Nederhekel

Een uurtje Kees van Kooten als hoofdgast op een avond over herinneringen aan Den Haag, dat mocht ik me uiteraard niet laten ontgaan. Het was me al eerder gebleken dat hij ook een eminente theaterartiest had kunnen worden, als hij dat gewild had. Het natuurlijke gemak waarmee hij zich gisteravond in het Haagse Lucent Danstheater over de planken bewoog, onderstreepte dat weer eens.

Alle gasten op deze door de Haagsche Courant georganiseerde avond, onder wie de schrijfsters Nicolette Smabers en An van 't Oosten en stadshistoricus Wim Willems, haalden mooie en ontroerende herinneringen op, maar bij Van Kooten werden die herinneringen ook nog eens leuk.

Hij las onder meer zijn verhaal `Naar Delft heen' uit zijn bundel Zeven sloten voor. In dit `opstel uit 1950' beschrijft hij hoe zijn vriendje Eddie hem wat peper in zijn kont wil strooien, omdat zijn moeder die uitdrukking kort tevoren gebezigd had. ,,Nou strooi ik zoveel mogelijk tussen je kadetten en dan moet je het zelf maar naar binnen vegen want ik ben geen poot als je dat soms dacht, zei hij.''

Men stelle zich voor: Kees van Kooten in zomerkostuum languit op zijn buik op een Haagse toneelvloer, terwijl hij declameert: ,,Ik voelde er niks van toen Eddie strooide en ook niet toen ik de peper met mijn duim in mijn poepgat drukte, maar toen wij weer op de fiets zaten leek het of wij stukken harder dan de heenweg gingen, vooral op de Leyweg. Wij beloofden dat wij het aan niemand zouden verraden, het geheim van peper in je kont.''

Daarbij liet Van Kooten het niet. Tussen de hilarische herinneringen door las hij fragmenten voor uit een essay, getiteld `De Nederhekel', ,,een lang stuk dat ik in woede en verbazing heb geschreven''. De tijdgeest in Nederland wordt gekenschetst door een steeds grotere hekel aan alles en iedereen, stelde hij vast. ,,Je hebt de hekel van de satirici en de hekel die we aan elkaar hebben.''

Commentatoren, columnisten, cabaretiers, iedereen scheldt maar op elkaar, de hekel grijpt ,,als een vogelpest'' om zich heen. Een rake observatie, dunkt mij, al moest Van Kooten er meteen aan toevoegen dat hij ook zelf allerminst vrij van hekel is.

Aan wie bijvoorbeeld? Nou, neem Balkenende. ,,Mijn kinderen hadden vroeger van die Playmobil-poppetjes, die konden hun benen en armen niet buigen, en zo loopt hij ook. Verkondigen dat je het onderwijs wilt verbeteren en dan zeggen: `Fatsoen moet je doen'.''

Hij noemde Harry Mens, Cor Boonstra, Sjoerd Kooistra, Cees van der Hoeven, Dick Grijpink, Nina Brink, `die vreselijke Netelenbos', Yoko Ono, de lach van Tony Blair, ,,en Donald Rumsfeld in zijn geheel'', allemaal mensen die een grote hekel bij hem opriepen.

Toch was het net of de hekel hem minder bezighield dan vroeger, toen hij nog tv-programma's met Wim de Bie maakte. Hij begon hele lappen uit zijn essay over te slaan, uit tijdnood, maar misschien ook wel omdat hij die oudere teksten liever voorlas. Is hij milder geworden? Ik denk eerder dat, sinds hij geen tv meer hoeft te maken, de behoefte aan de hekel minder urgent is geworden.

Hij gaf ons aan het slot nog tien woorden ter overdenking mee: ,,God bestaat nog meer niet dan Allah al niet bestond.''