Juridisch gevecht omroepen

Twee stichtingen van de publieke omroepen NCRV en VARA blijken al meer dan tien jaar verwikkeld in een juridisch gevecht met audiovisueel concern Strengholt.

Het conflict vloeit voort uit een, zoals het ministerie van OCW het in 1990 kwalificeerde, ,,verboden activiteit'' van de twee publieke omroepen die het facilitaire overheidsbedrijf NOB (camera's en studio's) beconcurreerden. Volgens het departement werd de Mediawet overtreden. Dat blijkt uit documenten in bezit van deze krant.

Het gaat om de stichting Heuvellaan en de stichting Schuttersweg. De eerste is gelieerd aan de VARA, de tweede aan de NCRV. Beide stichtingen, waarvan de bestuurders statutair afkomstig zijn uit de besturen van de omroepen, kochten in 1989 van Strengholt samen voor 1,2 miljoen euro de helft van de aandelen van een facilitair bedrijf, Video Hilversum.

De zakelijke transactie leidde in 1995 tot een civiele rechtszaak. De stichtingen eisen, inmiddels in hoger beroep bij het gerechtshof in Amsterdam, een deel van hun geld terug omdat een rendementsgarantie niet zou zijn nagekomen door Strengholt.

De procedure kost volgens Strengholt ,,handenvol geld'' en ,,sleept zich voort''. Strengholt-directeur M. Mensink zegt het niet te begrijpen. De inzet van de procedure is volgens hem maar ,,een relatief bescheiden bedrag''. Mensink: ,,De procedure zelf heeft handenvol geld gekost. Mede om die reden hebben wij ons geregeld afgevraagd waarom de omroepen blijven procederen.''

De VARA zegt afgelopen tien jaar ,,circa 33.000 euro'' te hebben uitgegeven aan proces- en advocaatkosten. Uit verenigingsmiddelen, benadrukt de omroep. De NCRV noemt hetzelfde bedrag.

De aankoop van de aandelen was volgens het ministerie in strijd met de Mediawet, blijkt uit de documenten. Het ministerie oordeelde al in 1990, in afwijking van toenmalig voorzitter A. Geurtsen van het Commissariaat voor de Media, dat de twee omroepen de Mediawet ,,omzeilden''. Het met omroepgeld kopen van aandelen van een facilitair bedrijf was volgens het ministerie ,,in strijd met doel en strekking van de Mediawet.''

De publieke omroepen mochten wel geld uitgeven aan faciliteiten om hun programma's te maken, maar geen eigendom van faciliteiten verwerven. Volgens het ministerie was de bedoeling van de wetgever duidelijk: er moet een strikte scheiding zijn tussen vragers en aanbieders van faciliteiten.

Bovendien waren de omroepen, volgens het ministerie, met hun deelname in het kapitaal van Video Hilversum, dienstbaar aan het maken van winst door derden. Ook dat was, en is, verboden in de Mediawet. Het deelnemen in een facilitair bedrijf was een ,,in beginsel verboden activiteit''. Namens de NCRV was onder meer toenmalig directeur A. Duijser verantwoordelijk van de transactie, namens de VARA onder meer Marcel van Dam, destijds voorzitter.

NCRV en VARA wilden met hun aandeel in Video Hilversum ,,een goede belegging'', blijkt uit de documenten. VARA en NCRV bestrijden overigens de visie van het ministerie dat het om publieke middelen ging. Het waren verenigingsmiddelen, aldus beide omroepen, en daarmee was de investering volgens de VARA ,,volledig in overeenstemming met de bedoelingen van de wetgever''.

Ook het doorbreken van het monopolie van het NOB speelde een rol in het besluit van de omroepen om een aandeel in Video Hilversum te nemen. Met hun deelneming wilden ze ,,invloed uitoefenen'' op de faciliteitenmarkt en de hoge NOB-tarieven ontwijken.

De problemen ontstonden toen het NOB, in het zicht van de liberalisering van de faciliteitenmarkt en de komst van de commerciële televisie, in 1991 en 1992 de tarieven drastisch verlaagde. De kortingen waren zó groot dat Video Hilversum opeens te duur was.

Geconfronteerd met slechte resultaten en gedwongen door het ministerie bonden de omroepen in. NCRV, VARA en ook Strengholt verkochten in 1995 het bedrijf met verlies aan het NOB. Hoe groot het verlies is, is niet bekend. De VARA doet daarover geen mededelingen hangende de rechtszaak. Namens Strengholt zegt directeur Mensink: ,,De verkoop aan het NOB was een elegante oplossing. Het alternatief was een faillissement.''