Het beeld

De creativiteit en de gekte van de jaren zestig leiden niet alleen op de Nederlandse televisie tot een epidemie van documentair terugblikken. Vannacht herhaalde BBC2 het derde deel van Vanessa Engle's eerder door BBC4 uitgezonden serie Art & The 60s. In 1966 opende John Dunbar vlakbij Piccadilly Circus zijn galerie Indica, en presenteerde kunstenaar Gustav Metzger autodestructieve performances van hemzelf en anderen onder de verzameltitel Destruction in Art Symposium (DIAS). Bij Yoko Ono's performance Cut Piece mochten de toeschouwers haar de kleren van het lijf knippen. Ze ontmoette er voor het eerst John Lennon. De Oostenrijkse `actionisten' onder aanvoering van Otto Mühl choqueerden de burgerij met bloed en ander lichaamssappen, en de undergroundrockgroepen Pink Floyd en Soft Machine traden er op. In 1967 was het afgelopen, ook omdat Dunbar voor zijn kind moest gaan zorgen, toen echtgenote Marianne Faithfull er met Mick Jagger vandoor was.

Onder de titel Politics and Performance doceert Engle op prettige wijze kunstgeschiedenis. Wat vooral opvalt is dat verteller noch geïnterviewden enige poging ondernemen om aan te wijzen wie er, achteraf bekeken, destijds goed of fout waren geweest. Dat Mühl later veroordeeld is wegens seksuele misdragingen horen we slechts in een verbale voetnoot aan het slot van het programma.

Het zal dus wel weer een Hollandse ziekte zijn, dat zwartepieten met de cultuur van de jaren zestig. Robert Oey doet het in zijn VPRO-serie Wonderland, ook al moet hij het definitieve oordeel soms schuldig blijven. Wonderland beoogt expliciet de balans op te maken van `het politiek-correcte denken in Nederland', de eufemistische benaming van `fout geweest in de jaren zestig', en heeft dus een ethische raison d'être.

Minder gepast is het doorsijpelen van rancune en vereffenen van oude rekeningen in Allemaal theater, de grotendeels zeer geslaagde en indrukwekkende twaalfdelige documentaireserie over theater in Nederland sinds 1945 die de AVRO uitzendt en die de Van den Ende Foundation financierde. Meestal slaat gastheer Jeroen Krabbé precies de juiste toon aan, om zijn gesprekspartners ontboezemingen te ontlokken. Zo verklapt Sigrid Koetse dat de Haagse Comedie een `burgertruttenbende' was, die elke avond wilde káárten.

Van de eerste zes zijn de beide niet door Leo de Boer of Ger Poppelaars geregisseerde delen enigszins uit balans. Gisteren kwam in Het geheim van de lach Joop van den Ende zelf aan het woord. De hommage van regisseur Hans Pool aan het vakmanschap van Willy Walden en John Lanting snijdt hout, maar waarom moet er zo uitgehaald worden naar de critici van `de linkse pers', die Annie M.G. Schmidt korte tijd miskenden, revues en kluchten niet serieus namen, en volgens een aloude koe uit de sloot Wim Sonneveld de dood injoegen, met de ongezouten kritieken op zijn filmflop Op de Hollandse toer (1974)?

De moraal van zestig jaar theatergeschiedenis lijkt me toch niet dat nog steeds de lichte muze het stiefkind is van media, publieke omroep en politiek.

    • Hans Beerekamp