Een Europese identiteit

Met de Haagse conferentie over Europese waarden heeft minister-president Balkenende onmiskenbaar het startschot gegeven voor een project zonder precedent. Niet eerder entameerde een regering een dergelijk cultureel debat op Europees niveau. De proliferatie van de Nederlandse discussie over waarden en normen moet zelfs het gezichtsbepalende onderdeel zijn van het Nederlandse voorzitterschap van de Europese Unie. Waar het in de Unie normaal gesproken bij ontmoetingen van vertegenwoordigers van de verschillende regeringen gaat om de uitruil van diverse, concurrerende, nationale belangen, doet de Nederlandse premier nu een poging om aan de andere kant te beginnen met de vraag wat de burgers in de verschillende landen van de Europese Unie verbindt. Dat is een actueel thema. Zeker na de recente uitbreiding van de Unie, en al helemaal met de toekomstige toetreding van Turkije in het verschiet. In dat licht kan het streven van Balkenende naar een Europese gedachtewisseling over de gemeenschappelijke waarden op zichzelf een interessant experiment zijn.

Eigenlijk draait de discussie om de vraag of er een eenduidige Europese identiteit bestaat of kan ontstaan, waarin de burgers van de verschillende Europese landen zich kunnen herkennen. De Franse oud-president Valéry Giscard d'Estaing, voormalig voorzitter van de Europese Conventie, sprak in dit verband over een Europees `patriottisme'. Waarmee overigens ironisch genoeg een belangrijk verschil tussen het Franse en het Nederlandse denken over deze kwesties aan de oppervlakte verscheen.

Balkenende noemde de inhoudelijke bezinning op de waarden cruciaal voor ,,de levenskracht en daadkracht van de Europese Unie''. Het Nederlandse initiatief tot een debat over de Europese waarden motiveert de minister-president omdat hij wil voorkomen dat Europa ,,een onbezielde machinerie wordt die tot stilstand komt''. Balkenende wil als een moderne Prometheus het vuur teruggeven aan de mensheid, te beginnen met de burgers van Europa.

Maar in zijn rede maakte Balkenende niet helemaal duidelijk wat hem precies voor ogen staat. Zo begon hij met de vaststelling dat Europa een gemeenschap van waarden is, maar concludeerde hij dat er een ,,zoektocht'' nodig is naar diezelfde waarden waaraan burgers vervolgens ,,nieuw elan'' moeten ontlenen. Hoe die vonk moet overspringen blijft een raadsel. Voorts is het de vraag of de definitie van Europa als ,,waardengemeenschap'' – wat in Nederland een typisch christen-democratisch leerstuk is – in brede kring zal worden gedeeld.

De afwezigheid gisteren in de Ridderzaal van andere Europese regeringsleiders kan worden opgevat als een veeg teken. Kennelijk staat het gedachte-experiment van hun Nederlandse collega bij Blair, Schröder, Chirac en anderen niet erg hoog op de prioriteitenlijst. Dat betekent een risico straks wanneer in december aan het eind van het Nederlandse voorzitterschap de conclusies van het intellectueel discours moeten worden overgeheveld naar het domein van de Europese politiek. Met een vrijblijvende discussie over Europese waarden – als die al bestaan – is geen burger gediend.