De nieuwe revolutie

Zouden degenen die nu de diepste wortels van al het hedendaagse kwaad in `de jaren zestig' aantreffen, liever hebben gezien dat de jaren vijftig tot vandaag hadden voortgeduurd? Met de nodige technische moderniseringen, maar in principe onbeschadigd, met de toen heersende gezagsverhoudingen, de normen en waarden? Terug naar dit paradijs van discipline, arbeidslust en algemeen fatsoen, waarin ,,geluk heel gewoon was''?

Ik denk dat ze nog raar zouden opkijken als ze hun zin kregen. Waar een overwinning wordt gevierd, zijn ook verliezers. Het decennium van de jaren zestig krijgt nu een nieuwe reputatie, als een tijdvak waarin een bondgenootschap van relschoppers de macht had overgenomen, met een dusdanige grondigheid dat we er nu nog last van hebben. Door de politieke correctheid van deze relschoppers is de weldenkende Nederlander nu gedwongen, zijn land tegen islamisering te verdedigen. Aldus het principe van de redenering.

Laten we voor de verandering eerst eens naar de verliezende partij kijken. De kiem voor wat we nu de jaren zestig noemen, is al in de Tweede Wereldoorlog gelegd. Volgens een aantal historici hebben deze vijf jaar geen breuk met de jaren dertig veroorzaakt. De generatie die vóór de oorlog de toon zette, al voor een deel het land bestuurde, heeft kort na de Bevrijding dit algemeen nationaal beleid voortgezet. De poging tot doorbraak van de Partij van de Arbeid mislukte. Met de onvermijdelijke ogenschijnlijke vernieuwingen slaagde het oude bestel, gesteund door de grote meerderheid erin, onder volstrekt nieuwe omstandigheden de restauratie tot stand te brengen.

Hoe goed de heren en een enkele dame daarin slaagden, wordt bewezen door twee historische feiten: de geslaagde wederopbouw en de nederlaag in de oorlog tegen Indonesië. De wederopbouw van het verwoeste land is, ook met de Marshall-hulp een grote prestatie. Een resultaat van discipline, werklust en een overtuiging die we nu, volgens de filosoof Jos de Mul, alleen nog bij het voetballen aantreffen. Bovendien werd in die tijd de grondslag voor de verzorgingsstaat gelegd.

En terwijl het volk met dit grote werk – deze klus, zeggen we nu – bezig was, werd het in een oorlog aan de andere kant van de wereld getrokken. Dat wil zeggen: met alleen het verzet van de communisten en een klein, gemengd gezelschap van niet-communistisch links heeft Nederland een leger van omstreeks 150.000 man naar Indonesië gestuurd om daar na drie eeuwen van kolonisatie de democratie te brengen – volgens onze maatstaven. Het grootste deel van de rest van de wereld waarschuwde dat die onderneming moest mislukken. Na vier jaar van dan weer minder, dan weer meer oorlog werd dit ook in Den Haag ingezien. Daarop volgde de souvereiniteitsoverdracht, waarbij de politiek, de media, de publieke opinie erin slaagden, daarin geen nederlaag te zien. Na de grootste déconfiture in de buitenlandse politiek sinds de Belgische onafhankelijkheidsoorlog gingen bestel en volk over tot de orde van de dag.

Acht jaar later dreigde het land met Nieuw Guinea op veel kleiner schaal in dezelfde steeg terecht te komen. Door harde en dwingende bemiddeling van de Amerikaanse regering en dankzij het feit dat de publieke opinie hier ook wat verlichter was geworden, zijn we daaraan betrekkelijk ongeschonden ontsnapt. De `kwestie Nieuw Guinea' is achteraf bezien één van de grote oorzaken waardoor het oude bestel, de restauratie van de jaren dertig definitief ten einde liep. Daardoor werd duidelijk dat de generaties van bestuurders die tot dan toe de generale lijn hadden bepaald, waren verbruikt. Geen wonder, na vijf jaar bezetting, de wederopbouw en nog eens een vergeefse oorlog, de grootste die Nederland heeft gevoerd (de Tachtigjarige uitgezonderd, maar dat was in een andere tijd, in een andere wereld).

Intussen was de volgende generatie aangetreden: degenen die in de oorlog de beslissende fasen van hun opvoeding en het volwassen worden hadden beleefd. Hier ligt de werkelijke breuk in de geschiedenis. Wie in de jaren van zijn vorming hoe dan ook, maar dagelijks, de oorlog beleeft, gaat anders denken over alles. Dat geldt onveranderlijk, voor Eerste Wereldoorlog, de Tweede, de onze in Indonesië, die in Vietnam, nu in Irak – iedere oorlog. Het is een ondefinieerbaar maar wezenlijk deel van de opvoeding.

Terwijl in Nederland de vooroorlogse generaties in grote trekken, op hun manier verdienstelijk, de restauratie min of meer voortzetten, werden de eerste tekenen van de breuk zichtbaar. Dat was het verzet van de jaren vijftig, nog niet in de politiek, maar in de literatuur, de kunsten, het dagelijks leven. ,,Tegen uw muren zwellen wij met het rapalje tot een blaas, een zware zak vol krampen, gillen en geraas, uw hemel wordt met onze zwerende ervaring overladen'', dichtte Lucebert. Uit Amerika kwam de cultuur van de Beatniks, daar groeide het verzet tegen de rassenscheiding. Overal in het Westen raakte de samenleving in beweging. In Nederland werden nieuwe partijen opgericht. Altijd een zeker teken dat iets aan de gevestigde orde mankeert. En toen braken eindelijk de jaren zestig aan, de periode waarin het verzet werd geïnstitutionaliseerd. Het oude bestel had definitief verloren, zonder een stevige grondslag voor continuïteit achter te laten. Het succes van de revolutie ligt ook in het gebrek aan tegenstand.

Sindsdien is Nederland vatbaar voor culturele revoluties die soms de gedaante van politieke aannemen. Omstreeks de eeuwwisseling hadden we hier een bestel dat in één opzicht doet denken aan dat van de jaren vijftig: het was verbruikt. Sinds 11 september is de conjunctuur in het voordeel van rechts. Opnieuw bij gebrek aan tegenstand zal het op deze manier nog wel een jaar verder gaan.

    • H.J.A. Hofland