Voor een handvol dogma's

Bram Vermeulen was een kind van de jaren zestig, die in Nederland vooral om zich heen grepen in de jaren zeventig. In een interview dat na zijn dood zondag op de televisie werd herhaald, vertelde hij dat hij als student eens in Amsterdam dolblij een rafelig hippie-jasje had gekocht, maar dat meteen had weggehangen toen zijn studentikoze huisgenoten hem erom uitlachten.

De anekdote tekent Vermeulen, die samen met Freek de Jonge in `Neerlands Hoop' zo'n beetje de belichaming werd van de maatschappijkritische tijdgeest, maar die nooit een fanaticus werd, en een humanist bleef. Luister naar zijn warme, menselijke en vaak dubbelzinnige teksten, en naar zijn raspende blues-stem, oneinig veel echter dan de pathetische bombast van de huidige generatie galmende Nederrockers. Wat bedoelde hij bijvoorbeeld met het geestige nummer`Politiek'? (Als ik niet kijk/ Heb ik het niet gezien/ Heb ik het gezien/ Wist ik er niets van/ Kunnen ze mij niets maken/ Dus ik kijk niet. Als ik niet praat.. etc). Je kunt er een zoveelste linkse aanklacht tegen het klootjesvolk in lezen (maar dan tenminste een vrolijke, geen arrogante), maar met een beetje fantasie ook een hippie-lofzang op politieke geheelonthouding, of zelfs, achteraf, een satire op een autistische politieke kaste die niet naar het volk luistert. Kortom, een goede want dubbelzinnige tekst.

Bram Vermeulen werd de afgelopen dagen herdacht met mooie stukken in de krant, maar hij was voor mij ook op de achtergrond aanwezig in de persoonlijke documentaire van Robert Oey over politieke correctheid in Nederland, waarvan de VPRO zondag het eerste deel uitzond. Oey (1966) heeft altijd heimwee gehad naar de jaren zestig, waarvoor hij te jong was om ze bewust mee te maken, maar rekent in zijn drieluik ook af met de verstikkende politieke correctheid die dat tijdperk opleverde en die Nederland tot in de jaren negentig in een intellectuele en politieke kramp hield althans, dat is de veronderstelling.

In mijn eigen herinnering, die een schoolklas of drie verder teruggaat dan die van Robert Oey, heeft de triomf van de linkse drammers in Nederland veel korter geduurd dan de aanklagers ervan nu willen doen geloven. Al in de vroege jaren tachtig was het voorbij: het tijdperk-Lubbers was helemaal geen periode van verstikkende linksige correctheid, maar het begin van een katerige klauterpartij omhoog uit een diep economisch dal, en een moeizame hervorming van de sociale zekerheid, met de bijbehorende ideologische depressies. De PvdA sjokte van de ene loden crisis naar de andere; de protestcultuur van de linkse popmuziek was ontmanteld door de punk (Johnny Rotten, de Pim Fortuyn van de popmuziek). Resten van de `tegencultuur' radicaliseerden in een nihilistische en gewelddadige kraakbeweging die vooral haar eigen zaakjes goed wist te regelen, maar die in meer dan één opzicht echt een subcultuur was.

Het Hollandse midden regeerde. De rechtse splintergroepering van Hans Janmaat hoorde daar net zomin bij als de criminele extremisten die het hotel in brand staken waar zijn partij vergaderde, en die zijn vrouw een been kostten. Het is waar, het groeiende ongenoegen over buitenlanders (toen nog niet identiek met moslims) werd politiek verwaarloosd, maar dat vermijdingsgedrag (Als ik niet luister/Hoor ik het niet) had minder te maken met linkse denkterrreur dan met een compromisgestuurde, technocratische bestuursstijl die het te druk had met het opkrikken van de economie en die in de roaring nineties, toen de aandelen weer tot in de hemel groeiden, opgelucht onderuitzakte. Voorzover links het nationale denken nog in een houdgreep hield, waren dat de naweeën van een culturele revolutie die ideologisch allang over zijn hoogtepunt heen was. Maar niet maatschappelijk: de gevolgen van democratisering in het onderwijs en liberalisering van de samenleving werken nu nog door maar die zijn niet het monopolie van links (`gewoon jezelf zijn' was géén PvdA-leus).

En toch, de dictatuur van de linkse politieke correctheid is de nieuwe mythe geworden. Begrijpelijk. Je stem verheffen tegen de linkse denkdwang die het land tot in het jaar 2001 gegijzeld hield, is een patente manier om jezelf achteraf tot held van de vrije geest uit te roepen. De aanklagers van de klaagcultuur hebben hun eigen klacht gevonden. Nee zeg, natuurlijk heb ik in de jaren tachtig geen grote roman kunnen schrijven, vind je het gek? Weet je wel hoe vaak de linkse denkpolitie toen nog patrouilleerde? Als Joop den Uyl er niet was geweest, of Max van den Berg, dan was ik allang beroemd geweest. Inderdaad. God mag weten hoeveel Hollandse Célines er gesneefd zijn, omdat je in dit land veertig jaar lang je mond stijf dicht moest houden.

Tegelijk schept die klacht natuurlijk weer nieuwe taboes, want zo gaat het met dit soort dingen. Kritiek op het blunderen van Bush in Irak? Aha, dan ben je zeker zo iemand die Saddam wel een toffe peer vond. Twijfels bij het optreden van Ayaan? Jaloers! De personalisering van de politiek, die de plaats inneemt van oude ideologieën, maakt een open debat paradoxaal genoeg niet makkelijker, maar lastiger. Kritiek is in zo'n cultuur per definitie persoonlijk, een meningsverschil een aanval, verraad, of cynische twijfel aan iemands `goede bedoelingen'. Want dat beproefde linkse vaccin tegen kritiek, vaak smalend afgedaan als Gesinnungsethik, is gek genoeg bij het andere kamp weer helemaal terug. Zoals bij de beoordeling van de Amerikaanse president, die niet wordt afgerekend op zijn vergissingen inzake Irak omdat hij zulke mooie plannen heeft voor het Midden-Oosten. Vreemd, had de nuchtere afrekening met utopisch links dan niet geleerd dat goede bedoelingen vooral geschikt zijn om de weg naar een bepaalde hete plaats mee te plaveien. Of geldt dat alleen voor foute goede bedoelingen?

Na het ontmantelen van de oude politieke correctheid is zo langzamerhand een handvol nieuwe dogma's en slogans aan het ontstaan. Zielig voor links? Welnee. Drammerige gelijkhebbers, van welke politieke kleur dan ook, gun je wel een flinke tegenwind, daar gaat het niet om. De kiezer is op drift, en we zullen straks wel zien waar de gaten op de electorale markt vallen als zich genoeg ambitieuze nieuwe persoonlijkheden aandienen. Maar met minder fanatisme, meer gevoel voor praktische politiek, en meer gevoel voor dubbelzinnigheid, ook over ons verleden in die perfide jaren zeventig, zouden we al een eind geholpen zijn.