Samenwerking is nodig in jeugdbescherming

De conclusie van Huub van 't Hek (NRC Handelsblad, 24 augustus) dat instellings- en personele belangen boven alles gaan in de jeugdbescherming, is nergens op gestoeld. Als er één gedeeld motief is dat werkenden in deze sector drijft, dan is dat de zorg voor en betrokkenheid bij het kind. Wel is er een gezonde ontwikkeling binnen de jeugdbescherming op gang naar meer resultaatgerichtheid, er wordt meer gekeken naar de effecten en minder alleen maar naar de inspanningen. Dat instellingen zich laten leiden door angst voor claims en foute ouders, herken ik evenmin. Het werk van instellingen op het terrein van de jeugdbescherming wordt nog wel eens door actiegroepen, door teleurgestelde (pleeg)ouders, in de openbaarheid en ook in media aan de kaak gesteld. Dit hoort bij het werk, waar het draait om moeilijke keuzes en het wegen van verschillende belangen.

Ik besef dat er fouten worden gemaakt in de jeugdbescherming. Op een aantal punten die Van 't Hek aansnijdt, zijn verbeteringen gewenst. Dit wordt ook onderkend door de organisaties in de jeugdbescherming en het ministerie van Justitie. Er waait dus duidelijk een frisse wind. De Raad voor de Kinderbescherming zoekt zijn verbeteringen in het inzichtelijk maken van zijn onderzoeks- en advieswerk: door het volgen van regels en procedures wordt het afwegingsproces transparanter gemaakt naar jeugdigen, ouders, pleegouders en instellingen. Verder wordt hard gewerkt aan de verdere verbetering van de samenwerking met Bureau Jeugdzorg en de gezinsvoogdij door het maken van samenwerkingsafspraken, met name ten aanzien van de overdrachtsmomenten.

Daarmee zijn we er nog niet. Samenwerking en regie is een proces dat continu aandacht behoeft.

    • Margot Pot
    • Raad voor de Kinderbescherming