Osseten dreigen de Ingoesjeten met wraak

De gijzeling van Beslan in Noord-Ossetië werd geleid door een guerrillaleider uit Ingoesjetië. De actie – zo wordt gevreesd – kan een oude ruzie tot leven wekken: Ingoesjeten en Osseten kunnen slecht met elkaar overweg.

,,Als dit allemaal voorbij is, krijgen we ze wel, onze buren, de Ingoesjeten, wacht maar af,'' zo tekende een verslaggever van het persbureau AP gisteren op uit de mond van een Osseet in Beslan, het stadje van de massagijzeling van vorige week. Uit Vladikavkaz, de hoofdstad van Noord-Ossetië, kwam op hetzelfde moment de melding dat vierhonderd woedende Osseten woningen van Ingoesjeten belegerden – alleen krachtig ingrijpen van de politie voorkwam een pogrom.

De gijzeling dreigt de toch al uiterst instabiele situatie in de noordelijke Kaukasus te verstoren. President Poetin zei zaterdag tijdens zijn bezoek aan Beslan dat ,,zaaien van haat tussen de volkeren en het opblazen van de hele Kaukasus'' een van de doelen van de terroristen was. De slachtoffers van die terroristen waren Osseten, de terroristen zelf waren Tsjetsjenen en Ingoesjeten (al zou er zich zeker ook één Osseet onder hen hebben bevonden). De vrees van Poetin, maar zeker niet alleen van hem, is dat de Osseten de gijzeling zien als een aanval van de Ingoesjeten op hen als volk. En de relaties tussen de twee volken zijn zo gespannen dat heel wat minder dan een bloedbad de wankele vrede al grondig kan verstoren.

Ingoesjeten en Osseten liggen elkaar al eeuwen niet. De Osseten zijn in meerderheid orthodoxe christenen. Ze zijn ook traditioneel pro-Russisch. Waar volkeren als de Tsjetsjenen en de Ingoesjeten – die etnisch en taalkundig nauw aan elkaar verwant zijn en die ook in meerderheid islamitisich zijn – zich decennialang en met enorme verbetenheid tegen de Russische veroveraars hebben verzet, sloten (in 1774) de Osseten zich vrijwillig aan bij het Russische tsarenrijk.

De Tsjetsjenen en de Ingoesjeten behoorden tot de volkeren die in 1944 op last van Stalin en masse naar Centraal-Azië werden verbannen, omdat ze met de nazi's zouden hebben gecollaboreerd – in werkelijkkheid omdat ze het Sovjet-gezag en vooral Stalins collectivisatie nog altijd aanvochten. Terwijl de Ingoesjeten crepeerden op de lange reis en op de steppen van Kazachstan, vestigden de Osseten zich in hun woningen. En toen Chroesjtsjov in het kader van de destalinisatie de verbannen volken toestemming gaf uit Centraal-Azië terug te keren naar de Kaukasus, kregen de terugkerende Ingoesjeten wel een vage politieke rehabilitatie, maar niet die woningen waarin de Osseten zich ruim een decennium eerder hadden gevestigd – en dat terwijl ze in 1944 in Vladikavkaz (`Beheers de Kaukasus'), de hoofdstad van Noord-Ossetië, in de meerderheid waren. Het is een grief die de Ingoesjeten tot op de dag van vandaag koesteren.

Het is dan ook nauwelijks een wonder dat in 1992, na de ineenstorting van de Sovjet-Unie en na de vorming van een eigen republiek Ingoesjetië – tot dan toe vormden ze samen met de Tsjetsjenen een deelrepubliek – het eerste gewapende conflict in de noordelijke Kaukasus uitbrak toen militante Ingoesjeten de teruggave eisten van Ingoesjeets gebied dat in 1944 aan Noord-Ossetië was toegewezen, het district Prigorodny. Het werd een korte, maar felle oorlog, met zeshonderd doden, maar ook met vijftigduizend vluchtelingen: overal in Noord-Ossetië werden de Ingoesjeten verjaagd. Drieduizend Russische parachutisten moesten ingrijpen om de oorlog te beëindigen – ten gunste van de Osseten. Sindsdien wonen er nog weinig Ingoesjeten in Vladikavkaz.

In 2002 tekenden de presidenten van Ingoesjetië en Noord-Ossetië een vriendschapsverdrag, maar de oude eigendomskwesties zijn nooit geregeld en een vriendschapsverdrag kan sowieso geen eind maken aan wederzijdse haat die al een paar eeuwen bestaat.