Ontpotten

Als door een wesp gestoken hebben de besturen van de pensioenfondsen gereageerd op een voorstel van het kabinet om het geld dat werknemers hebben gespaard voor hun prepensioen, voortijdig opneembaar te maken. Die woede is vanuit het standpunt van de pensioenfondsen begrijpelijk, maar overigens nogal overtrokken. De voorgestelde maatregelen zijn niet extreem en de wijziging van de Pensioen- en Spaarfondswet die staatssecretaris Wijn (Belastingen, CDA) en minister De Geus (Sociale Zaken, CDA) voorbereiden, ligt in het verlengde van het conflict dat het kabinet en de vakbeweging in mei van dit jaar uitvochten. Het voorjaarsoverleg liep toen vast op maatregelen om langer werken van oudere werknemers te bevorderen en vervroegd uittreden te ontmoedigen. Een van de breukpunten was de weigering van de vakbeweging om akkoord te gaan met het voorstel van het kabinet om de regelingen voor prepensioen te indivdualiseren en af te stappen van verplichte collectieve arrangementen. Het kabinet trekt die lijn door met het voorstel om het verbod op te heffen dat werknemers hun prepensioenrechten eerder mogen opnemen. Hoe dit nader zal worden ingevuld, is vooralsnog onduidelijk. De pensioenfondsen willen het liefst het geld vasthouden en ze lijken gedeeltelijk hun zin te krijgen. Naar het zich laat aanzien zullen zij, rekening houdend met hun reserves, toestemming moeten geven voor de onttrekking van het gespaarde prepensioen.

Anders dan de vut-regelingen (omslagstelsel) uit de jaren tachtig is het prepensioen een vorm van fiscaal begunstigd sparen voor eigen rekening. Dit stelsel is pas sinds 1997 van kracht, de gespaarde bedragen zijn vooralsnog beperkt en de vut-regelingen worden pas langzaam uitgefaseerd. Een `run' op de prepensioenfondsen, waarvoor de vertegenwoordigers van de pensioenorganisaties gisteren waarschuwden, is onwaarschijnlijk. Het scenario van pensioenfondsen die hun vermogen moeten aanspreken om aan de `ontpotting' van gespaard prepensioen te voldoen en daarmee de stabiliteit van de financiële markten in gevaar brengen, is wel heel zwartgallig geschetst. Financiële markten hebben wel grotere schokken geabsorbeerd en menig pensioenfonds heeft de afgelopen jaren dramatisch slecht gepresteerd als belegger van de hun toevertrouwde pensioenpremies. Bovendien krijgen in het kabinetsplan werknemers geen individueel recht op opname van hun prepensioenbesparingen. De besturen van de pensioenfondsen behouden de mogelijkheid om toestemming te weigeren. Dit schept trouwens een onwenselijke ongelijkheid tussen werknemers van verschillende bedrijven omdat de afzonderlijke pensioenfondsen de afkoopregeling op uiteenlopende manieren kunnen interpreteren.

Er zit een principiële politieke kant aan de voorgestelde opheffing van het zogenoemde afkoopverbod. Niet eerder zijn werknemers in staat gesteld om opgebouwde pensioenrechten vroegtijdig te ontvangen en om zelf te bepalen of ze al dan niet meedoen met een pensioenregeling. De collectiviteit (werknemers doen verplicht mee) en de solidariteit (jong betaalt voor oud) worden ermee aangetast. Dit is de consequentie van het kabinetsbeleid om vervroegde uittreding niet langer fiscaal te begunstigen en om werknemers aan te sporen langer door te werken. Het is een aanpassing van de sociale zekerheid aan de vergrijzing van de bevolking in de komende decennia. Niet alleen de pensioenfondsen zullen aan deze onontkoombare demografische ontwikkeling moeten wennen.