Islam moet zich zuiveren van moordzucht

Het antwoord op massamoordenaars kan aleen liggen in de zekerheid van de eigen democratische overtuiging en de kracht daarvoor te vechten, meent John Lloyd.

Een nieuw patroon wordt zichtbaar in de oorlog tegen de beschaving zoals het hedendaagse fundamentalistisch terrorisme die op het ogenblik voert. Het onrustbarende is dat volstrekt niet over de eisen lijkt te kunnen worden onderhandeld.

De acties eerder dit jaar in Spanje en nu in Rusland; de moord op de gegijzelde Italiaanse journalist Enzo Baldoni afgelopen maand en de nog altijd voortdurende gevangenschap van de Franse journalisten Christian Chesnot en Georges Malbrunot; de vermeende pogingen om vorige maand een gruweldaad in Groot-Brittannië te plegen – het toont de regeringen van de betrokken landen allemaal hetzelfde afschuwelijke gezicht: dat van onstilbare haat, dezelfde impuls die komend weekeinde drie jaar geleden de vliegtuigen in de Twin Towers en het Pentagon dreef.

De aanslag in Spanje werd gerechtvaardigd met een verwijzing naar de moslimoverheersing van het Iberisch schiereiland vijf eeuwen geleden. Groot-Brittannië en Italië zijn doelwit, omdat ze steun verlenen aan de Amerikaanse inval in Irak (waar Baldoni fel tegen gekant was). De Franse journalisten worden gegijzeld om de intrekking af te dwingen van de Franse wet die het dragen van openlijke godsdienstige symbolen op de scholen verbiedt (een wet waar zij fel tegen gekant zijn). De VS waren doelwit omdat ze Satan zijn. In geen geval kunnen de bewuste landen zulke aanslagen vermijden – tenzij ze aan de terreur toegeven. Oftewel: ze moeten een handvol fanatici het voorrecht schenken om wetten en besluiten te veranderen van regeringen die zijn gekozen door de burgers van hun land, dat – met andere woorden – dus even geen democratie meer is.

Op het eerste gezicht lijkt het of Rusland – waar de burgers van de autonome Kaukasische republiek Noord-Ossetië getroffen zijn door de nieuwste vorm van gruwelijk terrorisme, de gijzeling van kleine kinderen – in een andere categorie thuishoort. De terroristen eisen de onafhankelijkheid van Tsjetsjenië – eveneens een autonome republiek in de Russische Kaukasus, waarvan de bevolking twee eeuwen lang ruw is gekoeioneerd door de Russische en Sovjet-Russische machthebbers.

Het is een eis waarmee ze ogenschijnlijk op één lijn komen te staan met nationalistische terroristen als de IRA en de Baskische ETA. De eerste heeft de strijd gestaakt, al is nog niet ondubbelzinnig het geweld afgezworen; de tweede was aarzelend op weg naar een wapenstilstand maar ging toch liever weer door met moorden, althans voorlopig.

Maar sinds een jaar of tien heeft de Tsjetsjeense terreur zich verbonden met de radicale islam en inmiddels spreekt een aanzienlijk deel van de Tsjetsjeense leiding niet alleen van een nationale onafhankelijkheidsstrijd maar ook van een heilige oorlog. De Russische pogingen om de republiek zelfbestuur te geven zijn begroet met verhevigde acties van de Tsjetsjeense strijders – waaronder afgelopen mei de moord op de man die was gekozen tot Tsjetsjeense president – Akhmad Kadyrov. De belangrijkste Tsjetsjeense krijgsheer, Shamil Basajev, werkt – volgens Russische veiligheidsfunctionarissen ter plaatse – samen met de wahabitische financier Abu Omar al-Seif, die huns inziens de operatie in Beslan heeft bekostigd.

De Russische staat heeft in haar benadering van Tsjetsjenië gefaald: de twee oorlogen tegen dit land, waardoor de hoofdstad in puin ligt en de bevolking in diepe ellende is gedompeld, hebben het einde van het terrorisme geen stap dichterbij gebracht en evenmin geleid tot stabiliteit van de republiek of het gebied als geheel. Maar Beslan laat wel zien hoe beestachtig de vijand is waartegen Rusland vecht. Wat eens een beweging was waarmee Rusland misschien tot een vergelijk had kunnen komen, voert nu – en maar ten dele als gevolg van Russische blunders – een bloedige jihad.

Het terrorisme was afgelopen week het hoofdthema van de Republikeinse nationale conventie, net als vorige maand bij de Democraten. President Bush was van mening dat ,,de wereld naar een tragedie zal afglijden als Amerika de komende tien jaar onzekerheid of zwakte toont'' en dat is geen standpunt waarvan zijn Democratische tegenstander John Kerry in het openbaar (of waarschijnlijk zelfs privé) zou afwijken.

Dit is bepaald geen sentiment dat in deze harde bewoordingen vaak in Europa wordt geuit; een van de elementen van de `grote Atlantische kloof' lijkt te zijn dat de Amerikanen, ongeacht de oorzaak, tegen elke uiting van terreur zijn, terwijl de Europeanen tegen de oorzaken zijn die volgens hen tot terrorisme leiden.

De `Europese' opvatting is veruit de aantrekkelijkste, want deze veronderstelt dat elke door terreur gevoede situatie zich kan ontwikkelen zoals die in Noord-Ierland halverwege de jaren '90 – met een terreurbeweging waarvan de leiding zich evenveel gewin door politiek als door bloed kan voorstellen, een regering die daar raad mee weet en een bevolking die bereid is, zij het schoorvoetend, vrede een kans te geven. Maar dit lijkt steeds meer de uitzondering en niet de regel.

Het lijkt erop dat de steeds oudere (en meer gevestigde) IRA-leiders een punt wilden zetten achter de dagen dat ze moorden beraamden en zich wilden opwerpen als nationale of zelfs internationale staatslieden, maar dat de onverzoenlijken en hun volgelingen dat helemaal niet willen. Zij willen de overwinning of de dood; liever gezegd: ze willen de overwinning door de dood. Het feit dat in het hedendaagse fundamentalistisch terrorisme de terrorist niet wil blijven leven, heeft met zich meegebracht dat de aanslagen veel gevaarlijker zijn – of ze nu gericht zijn op een wolkenkrabber in Manhattan of op een Israëlisch café. En de strijd krijgt in zijn verscheidenheid het gemeenschappelijke van een verheven zaak, die niet gaat om een andere ordening van nationale grenzen maar om een ander wereldgeloof.

Vaak wordt gezegd dat de meest verworpenen der aarde de minst waarschijnlijke bedrijvers van terreurcampagnes zijn – behalve in hun eigen omgeving. Het Soedanese Darfur behoort tot de meest verworpen streken op deze aarde; de slachting daar – vorige week vroeg John Kerry president Bush deze als genocide te bestempelen, een aanduiding die tot VN-ingrijpen zou moeten leiden – wordt aangericht door armen onder wanhopigen, en niemand verwacht dat de Janjaweed-militie haar wreedheden zal exporteren. Het conflict in Kongo, waar het dodencijfer de laatste paar jaar in de honderdduizenden loopt, trekt weinig belangstelling, omdat er buiten dit gebied weinig dreiging van uitgaat. Terreur van enige ernst wordt bedreven door mensen die grote sommen geld bezitten of bijeen kunnen brengen; die het vermogen hebben om plannen te beramen, tegenwoordig over de gehele wereld; en die torenhoge ambities hebben.

De impuls om de verworpenen te hulp te komen, en in het bijzonder om bij te dragen tot een zekere verantwoordingsplicht of zelfs tot democratie in een groot deel van het Midden-Oosten en daarbuiten, is een opdracht waar wij niet voor mogen terugschrikken; maar ze biedt geen antwoord, tenminste niet één-twee-drie, op massamoord. Het antwoord op massamoordenaars kan alleen liggen in de zekerheid van de eigen democratische overtuiging en de kracht daarvoor te vechten. Daarin heeft George W. Bush in elk geval gelijk.

En zo verhevigt zich de strijd, en dit zal doorgaan tot de islam zich weet te zuiveren van zijn verdorven moordzucht – of daarvan gezuiverd wordt.

John Lloyd is verbonden aan de Financial Times. Hij is commentator op het gebied van internationale politiek en schrijft in het bijzonder over Rusland.

Dit artikel verscheen eerder in Scotland on Sunday.

    • John Lloyd