`Elke boer is een heerser in zijn eigen koninkrijk'

Een Braziliaan en een Keniaan praten in Wageningen over de vrije wereldhandel in landbouwproducten. Maar ,,de kleine boeren kunnen nu nog geen vuist maken''.

Roberto Rodrigues is minister van landbouw van één van de grootste agrarische producenten ter wereld, Brazilië. Gisteren bracht hij een bliksembezoek aan de universiteit van Wageningen, waar ter gelegenheid van de opening van het academisch jaar de conferentie `agro-voedsel ketens en netwerken als instrumenten voor ontwikkeling' werd gehouden. Eén van de vragen was of de armste landen baat hebben bij de liberalisering van de wereldhandel.

De landbouw bevindt zich immers in het brandpunt van de discussie over die liberalisatie. En de ontwikkelingen gaan snel. Dit voorjaar zeiden de Europese Unie en de VS bereid te zijn om alle exportsubsidies te schrappen. In Genève werd een WTO-principeakkoord voor vrijere wereldhandel gesloten. Bovendien boekte Brazilië dit jaar twee belangrijke overwinningen tegen de Verenigde Staten en de Europese Unie. Het land had de bescherming van de Amerikaanse katoensector en van de Europese suikersector aangevochten bij de WTO (de wereldhandelsorganisatie) en in beide gevallen gelijk gekregen. Uiteindelijk zullen steeds meer handelsbelemmeringen, zoals importquota, `tariefmuren' en subsidies verdwijnen.

Maar wie zal uiteindelijk het meeste profiteren van die liberalisering? Om te beginnen grote ontwikkelingslanden als Brazilië en India, maar ook voor de rijke landen zijn er voordelen. De verwerkende industrie heeft immers voordeel bij lagere prijzen van ruwe producten, met name die van suiker. Bovendien bedingen de Europeanen en de Amerikanen ruimere markttoegang voor diensten en industriële producten.

De echte verliezers zouden wel eens de armste landen kunnen zijn, de G-90. De talloze kleine en achtergebleven boeren in Afrika hebben bij volledige marktopening geen schijn van kans tegen de goedkope en goede landbouwproducten uit landen als Brazilië. Hoe kunnen die zich teweer stellen tegen de dingen die onvermijdelijk komen gaan? Onder andere door zich beter te organiseren, luidde het antwoord in Wageningen.

Het is de missie van Leonard Kariuki, voorzitter van de Keniaanse Federatie van Agrarische Producenten. ,,Er moeten coöperaties komen, samen staan de boeren sterker. Alleen kunnen ze geen vuist maken tegen de bedrijven waarvoor ze produceren.'' En hij wil minder schakels in de keten, zodat er meer geld overblijft voor de boer. Hij maakt een opsomming: ,,De transporteur, de verwerker, de verpakker, weer een transporteur, de groothandel, de supermarkt...'' Half gekscherend, half gemeend voegt hij eraan toe: ,,Wij willen onze producten direct aan Unilever verkopen!''

De Braziliaanse minister Rodrigues valt Kariuki bij. Hij herinnert zich hoe hij dertig jaar geleden zelf de organisatie van de Braziliaanse boeren ter hand nam. De coöperaties kwamen uiterst moeizaam van de grond. Dat had te maken met trots, en met de vaak generaties oude band tussen de boer en zijn plantage. ,,Of hij nu klein is of groot, iedere boer heeft zijn eigen koninkrijk waarin híj heerst'', verklaart Rodrigues. ,,Kom hem dan maar eens vertellen dat hij in plaats van suiker voortaan beter ananassen kan verbouwen of dat hij de verkeerde mest gebruikt. `We doen het al zo sinds 1930', hoor je dan vaak. Een boer heeft bovendien een zeer emotionele band met zijn grond. De koffieboom is zijn vrouw, de koffiebonen zijn haar kinderen.''

Maar uiteindelijk zagen steeds meer Brazilianen het voordeel in van de coöperatieve manier van ondernemen. Volgens Rodrigues is mede daaraan het succes van de Braziliaanse landbouw te danken.

Trots en gehechtheid aan tradities zijn volgens Kariuki in Afrika niet de oorzaak van het ontbreken van goede boerenorganisaties. ,,De boeren weten heel goed dat samenwerken grote voordelen biedt. De landbouw verkeert gewoon in een veel te slechte staat. Er is gebrek aan alles. Aan moderne kennis, technologie en geld.''

Kariuki vindt dat de ontwikkelde landen, en internationale organisaties als de VN, een taak hebben bij de professionalisering van de Afrikaanse landbouw. ,,Zij zouden de boeren moeten helpen met training, technologie en bedrijfsvoering.'' Hij is daarom voor een graduele liberalisering voor de armste landen van minstens tien jaar, zodat de Afrikaanse boeren de tijd krijgen om zich aan de eisen van de wereldmarkt aan te passen.

Rodrigues voelt hier ook wel voor. Door quota af te spreken worden de Afrikaanse boeren niet weggespoeld door buitenlandse producten. Hij heeft ook een wat beeldender manier om het te zeggen. ,,Vergelijk het met de golfsport. Een golfer met handicap zeven verliest zeker van een golfer met een handicap anderhalf. Moet je die wel in dezelfde wedstrijd tegen elkaar uit laten komen?''

    • Arnoud Veilbrief