Contact

Het was niet druk in mijn drankzaak.

`Mijn', dat klinkt drankzuchtiger dan het is, zeg ik er haastig bij. Maar als je van `mijn' slager en `mijn' bakker mag spreken, waarom dan niet van `mijn' drankzaak? Het gebeurt om voor de hand liggende redenen weinig, dat geef ik toe.

Voor de toonbank stonden alleen een jonge man en een vrouw, van wie ik even dacht dat ze bij elkaar hoorden. Ten onrechte, merkte ik snel.

De jongen was het eerst aan de beurt, hij rekende af en vertrok. De vrouw was toen al begonnen aan een gesprek in haar mobieltje. Het was een vrouw van omstreeks de vijftig, deels van Indonesische afkomst, onopvallend, maar goed gekleed in een grijze broek en donkere bloes.

Ik zou graag de kleurrijke bijzonderheden van haar gesprek hebben doorgegeven, maar het was helaas een lusteloos geëmmer over ene Willem die ze binnenkort een lang uitgesteld bezoek zou brengen, zo'n bezoek dat je net zo goed niet kunt brengen, maar waarvan beide partijen vinden dat het nu toch eindelijk een keer gebracht moet worden, al was het maar om het verwijt te voorkomen dat de een te beroerd is om het te brengen en de ander om het te ontvangen.

Niets is vermoeiender dan de sociale komedie, dat was duideljk aan deze vrouw te zien. Eentonig en geeuwerig breidde ze haar mobiele zinnen aan elkaar.

Voor verbaal contact met de winkelbediende had ze al helemaal geen energie meer over. Ze volstond met te wijzen naar een fles wodka op de schappen. De bediende, een jongen van een jaar of twintig, noemde de prijs, waarna zij met haar pinpas begon te wapperen.

De jongen maakte het pinapparaat bedrijfsklaar, en de vrouw verrichtte de vereiste handelingen. Ze deed dat geroutineerd en efficiënt, als iemand die gewend is op twee borden tegelijk te schaken. Al die tijd bleef ze in haar mobieltje praten, over Willem, die ze al zó lang niet meer had gezien dat ze zich afvroeg of ze hem nog wel zou herkennen als ze hem nu op straat zou tegenkomen.

,,Hij staat achter u'', had ik het liefst willen zeggen, maar zulke grappen kunnen heel slecht vallen.

De bediende gaf haar de fles (raar zinnetje, maar de lezer begrijpt wat ik niet bedoel) en vervolgens de transactiebon. Ze nam alles met haar vrije hand aan, propte het in een plastic tas en liep naar de deur, nog steeds voortbabbelend in haar mobieltje.

De bediende keek haar aandachtig en niet zonder verbazing na. Nog voor ze de deur bereikt had, zei hij demonstratief hard: ,,Goedemiddag!'' Het kwam uit de grond van zijn vernederde hart. ,,Goedemiddag'', zei ik toen ook maar.

De vrouw hoorde niets, of ze deed alsof, en ze verdween zonder ook maar één woord met ons gewisseld te hebben.

De jongen keek me verbouwereerd aan. ,,Heb je nou ooit zoiets meegemaakt'', zei hij.

Ik zei niets, haalde mijn schouders op, wees naar een fles op de schappen en stak mijn pinpas in de lucht.

Hij kon het hebben. Nog wel.

    • Frits Abrahams