`Winstoogmerk nu te belangrijk in wetenschap'

De markt is niet langer heilig, in de ogen van universiteitsbestuurders. Bij de opening van het academisch jaar pleitten zij voor herwaardering van kennis zonder direct maatschappelijk nut.

Eén jaar en vijf dagen geleden waren ze nog vol optimisme. Aangespoord door het kabinet-Balkenende schaarden de universiteitsbestuurders zich bij hun openingstoespraken van het academisch jaar nog achter de visie dat zij moesten concurreren om de beste studenten en hoogleraren. Door nauwe samenwerking met het bedrijfsleven zou de maatschappij optimaal profijt hebben van academische kennis.

Toch te optimistisch geweest? Bij de meeste toespraken die de bestuurders vandaag hielden, ter gelegenheid van de opening van het nieuwe academisch jaar, ontbrak dit geloof in de zegeningen van de markt. Sterker, de boodschap van dit jaar lijkt: mogen wij weer gewoon universiteit zijn?

Sinds een jaar werken universiteiten, overheid en bedrijfsleven samen in het zogeheten Innovatieplatform. Hierin proberen zij de kenniseconomie te stimuleren. Valorisatie te gelde maken van wetenschappelijke kennis is een speerpunt in het hogeronderwijsbeleid van het kabinet. De premier zit het platform zelf voor.

Natuurlijk is dit een goed streven, zeggen de meeste bestuurders vandaag. Maar tegelijk zijn zij bezorgd geworden over de eenzijdige interesse van overheid en markt voor het economisch nut van wetenschap. De universiteit, zegt rector magnificus F. Zwarts van de Rijksuniversiteit Groningen, ,,combineert de productie van economisch nuttige kennis met de vrijheid en onafhankelijkheid die kennisdragers tot intellectuelen maakt''.

Collegevoorzitter W. Noomen van de Vrije Universiteit herinnerde in zijn toespraak zijn publiek fijntjes aan de oorspronkelijke doelstelling van het universitaire onderwijs: ,,academische vorming zonder winstoogmerk''. En het doel van de wetenschap is in de eerste plaats ,,het genereren van inzicht en kennis, van iets wat men niet eerder wist''. Noomen: ,,De vraag `wat koop ik ervoor', of `wat is het waard' is niet de eerste vraag die moet worden gesteld.''

Een gevaar van de huidige fixatie op marktwerking is, aldus Noomen, dat wetenschap steeds meer een kwestie van resultaatvoetbal wordt, waarin alleen het directe nut telt. Daarom moet de samenleving ,,ruimte bieden aan instellingen waar mensen betaald worden om fouten te maken''.

Zijn collega A.W. Kist van de Universiteit Leiden benadrukte dat de wetenschap studenten een academische houding moet aanleren. En hoe die houding zich nu vertaalt in economische bedrijvigheid of in wetenschappelijk onderzoek is eerder een gevolg dan een doel op zich.

Als de overheid de concurrentie tussen instellingen nóg meer gaat bevorderen, zal dat schadelijk uitpakken voor het hoger onderwijs in Nederland, waarschuwde collegevoorzitter H. van Oorschot van de Universiteit van Tilburg. Van Oorschot gruwt bij de gedachte dat het hogeronderwijsbestel volledig wordt opengegooid, waardoor iedere aanbieder van opleidingen recht krijgt op subsidie. ,,Werkverschaffende politieke hobby's'', aldus Van Oorschot.

De collegevoorzitter vreest dat deze ,,behoefte aan concurrentie'' leidt tot kannibalisering van het hoger onderwijs. ,,Er komen nieuwe spelers binnen op de gemakkelijke terreinen en op de lastiger gebieden zal verpaupering optreden. Zie de NS, zal ik maar zeggen.''

Van Oorschot benadrukte verder dat maatschappelijk nut van een universiteit verder gaat dan het alleen afleveren van meer bèta-studenten. In 2000 spraken de Europese landen in Lissabon af dat de Europese Unie binnen tien jaar ,,de meest dynamische en meest concurrerende kenniseconomie ter wereld'' moet zijn. Daarom wil het kabinet onder meer dat het aantal studenten met bèta- of techniekopleiding met 15 procent stijgt.

Volgens Van Oorschot is er in Nederland en in Europa ,,geen plaats voor een eenzijdige zwier naar alleen maar aandacht voor bèta''. Hij denkt dat de universiteiten niet te weinig uitvinden, maar dat ondernemingen ,,in dit steeds risicolozere land'' steeds minder hun best doen die vindingen om te zetten in producten.

Minder pessimistisch waren de bestuurders van de technische universiteiten. Rector magnificus R. van Santen van de TU Eindhoven en collegevoorzitter F. van Vught van de Universiteit Twente hielden een pleidooi voor juist méér ondernemerschap op de universiteit. Volgens Van Vught is een grote hervorming van de wetenschap nodig om, zoals hij het noemt, de Europese kennisparadox op te lossen. ,,We brengen veel kennis voort, maar we gebruiken die kennis nauwelijks'', aldus Van Vught.

Europese universiteiten borduren volgens hem nog steeds voort op een negentiende-eeuwse traditie waarin onafhankelijkheid het hoogste academische goed was. Maar dit ideaal is volgens Van Vught gaan gelden ,,als een excuus voor een desinteresse voor maatschappelijke vraagstukken en een veronachtzaming van het praktische belang van kennis''.

    • Guus Valk