Rauwe zanger van onvergetelijke liedjes

,,En als ik doodga, huil maar niet,'' zong Bram Vermeulen. ,,Ik ben niet echt dood, moet je weten. 't Is maar een lichaam dat ik achterliet. Dood ben ik pas als jij me bent vergeten.'' Het waren eenvoudige woorden op een eenvoudig melodietje, zoals hij ze zo vaak heeft geschreven – en altijd precies raak, precies de kern van wat hij wilde zeggen. Er werd in Nederland minder naar hem geluisterd dan toen hij nog samen met Freek de Jonge de longen uit zijn lijf blèrde, maar hij heeft onvergetelijke liedjes gemaakt. Hij heeft, zoals hij in een ander nummer zong, een steen verlegd in een rivier en daarmee het bewijs van zijn bestaan geleverd: ,,Omdat door het verleggen van die ene steen/ de stroom nooit meer dezelfde weg zal gaan.''

Bram Vermeulen, die zaterdagochtend tijdens een vakantie in Toscane in zijn slaap is gestorven, was nog maar 57 – een jongen uit de naoorlogse geboortegolf, uit een sociaal-democratisch ambtenarengezin in Den Haag. Zijn eerste passie was de sport; hij speelde volleybal op topniveau en ontwikkelde een feilloos instinct voor de beslissende smash. Het was, zoals hij het later noemde, ,,een oefening in vechten, overleven.'' Maar dat was hem niet genoeg. Naast het volleybal ging hij in 1965 in Amsterdam psychologie studeren, waar hij door medestudent Jop Pannekoek – de latere tv-regisseur – werd voorgesteld aan Freek de Jonge. En omdat hij af en toe ook een beetje piano speelde, leek het mooi samen te gaan: de grappenmaker en de muziekman.

Na wat prille aanzetjes deed hun duo – voluit Neerlands Hoop in Bange Dagen genaamd – zich voor het eerst gelden op het Cameretten-festival van 1968. Daar moesten Bram en Freek het echter nog afleggen tegen het gepolijste ensemblecabaret van die dagen. Maar een jaar later kwam, met hun eerste avondvullende programma, de onweerstaanbare doorbraak. Met hun jongehonderige optreden – niet gehinderd door een bestudeerde podiumtechniek – schoten ze de cabarettraditie aan flarden. Ze wilden ook niet eens cabaret worden genoemd; ze maakten muziektheater. Freek galmde zijn niet te stuiten grappenvoorraad de zaal in, terwijl Bram zijn beperkte arsenaal aan rock-akkoorden pompend uit zijn elektrische pianootje perste. Samen brachten ze een ruige rock-revolutie teweeg in het aangeharkte kleinkunstgenre – over het verleggen van een steen gesproken.

Allengs werd Bram Vermeulen de spelverdeler, die hij ook in het volleybal was geweest. Freek zorgde voor de smashes en Bram bracht de structuur aan, in de opbouw, de muziek en de vormgeving. Hij tekende de strip-achtige programmaboekjes, als Freek nog aan het schrijven van de teksten moest beginnen. Maar nooit zal een buitenstaander exact kunnen doorgronden hoe hun rolverdeling was. ,,Mijn zelfverzekerdheid op het toneel was voornamelijk gebaseerd op mijn ijzeren vertrouwen in Bram, een topsporter en Montessori-scholier, die geen twijfel leek te kennen,'' schreef Freek de Jonge later in zijn tekstenbundel Iets rijmt op niets. ,,Na jaren bekende Bram mij dat zijn rust voortkwam uit zijn indruk dat het mij allemaal zo makkelijk leek af te gaan.''

Neerlands Hoop heeft bijna twaalf jaar bestaan, en dat moeten tropenjaren zijn geweest. De breuk werd ook voor het publiek zichtbaar, toen Bram en Freek – na hun eensgezinde actie tegen de Nederlandse deelname aan het wereldkampioenschap voetbal in dictatoriaal Argentinië, in 1978 – elkaar op het toneel in de weg begonnen te lopen. Bram haalde er andere muzikanten bij, in de hoop meer muziektheater te maken, en Freek trok quasi-grappend de plug uit Brams gitaar. Ruim een jaar later was het Freek, die het duo ophief. Voor zijn ambities vond hij in Neerlands Hoop geen ruimte meer. Sindsdien was er tussen Bram en Freek zelden contact meer, al spraken ze de laatste jaren wel iets milder over elkaar. Kortgeleden stuurde Freek zelfs een e-mail aan Bram met de suggestie om samen op te treden in een aflevering van zijn serie De vergrijzing, die vorige week begon. Bram weigerde, en Freek vond dat bij nader inzien misschien maar beter óók.

Na hun breuk bleef Bram Vermeulen aanvankelijk ontredderd achter, maar hij herstelde zich snel – misschien te snel – met zijn Nederlandstalige popgroep De Toekomst, waarvoor hij zelf alle liedjes schreef. Toen die groep na een paar jaar ruziënd uiteen viel, kwam de klap alsnog. Pas na een paar losgeslagen jaren vond Vermeulen, mede dankzij zijn nieuwe liefde, de actrice Shireen Strooker, een nieuwe koers. Als solist ging hij verder, op een veel bescheidener schaal dan hij voordien gewend was, en bovendien kon hij als presentator van tv-programma's voor de RVU zijn gepassioneerde belangstelling voor wetenschap en filosofie uitleven.

Zo werd Vermeulen een chansonnier op rock-basis, die schurende liedjes ging maken over een verloederd vrijgezellenleven (,,rode wijn, kom laat ons vrolijk zijn''), over een jongetje dat op straat dwangmatig lantaarnpalen aanraakt en de trap met drie treden tegelijk moet nemen (in 1995 bekroond met de Annie M.G. Schmidtprijs voor het beste theaterlied), over het verglijden der jaren (,,ik tel mijn idealen, en ik raak er steeds meer kwijt'') en over een ander jongetje dat de aandacht van zijn vader tracht te trekken: ,,Pappa, kijk dan, pappa, kijk dan...'' Kippenvelliedjes waren het vaak, waarvan de woorden door de muziek werden opgetild en meegetrokken. Hij reisde ermee door Nederland en Vlaanderen, want vooral in Vlaanderen – waar de chansoncultuur levendiger is gebleven – vond hij een groot gehoor.

Het is moeilijk te geloven, dat hij er nu niet meer is – de jongen in het mannenlijf, de man die zong wat hij geloofde, en geloofde wat hij zong, met de mooiste oerkreet-stem van Nederland.

    • Henk van Gelder