Raadsman voor Miloševic

Het proces-Miloševic voor het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag heeft een onverwachte wending genomen. De rechters hebben hem een raadsman toegewezen, hoewel het voormalige staatshoofd er steeds een punt van heeft gemaakt dat hij zijn eigen verdediging wenst te voeren omdat hij dit VN-tribunaal niet erkent. Deze laatste omstandigheid is geen beletsel gebleken voor de oud-president om zich duchtig te roeren in de rechtszaal. Miloševic beschikt trouwens over juridische steun, maar zijn hulptroepen bevinden zich achter de schermen. Dat kan allemaal te denken geven over zijn opstelling, maar hiermee verspeelt Miloševic nog niet de aanspraak op een eigen verdediging.

De maatregel van de rechters betreft een historisch proces – de berechting van een voormalig staatshoofd wegens oorlogsmisdaden. Hun beslissing dient bij uitstek te worden getoetst aan de internationaal vastgelegde maatstaven voor een fair trial. Deze erkennen het recht op verdediging, maar de nadruk pleegt daarbij vooral te worden gelegd op de aanspraak van een verdachte op rechtsbijstand. Bij Miloševic ligt het precies andersom. Hij wil juist géén toegevoegde raadsman. Het Europees verdrag voor de mensenrechten lijkt hem gelijk te geven. Dit spreekt van ,,het recht zichzelf te verdedigen''. Dit lijkt een blokkaderecht voor de verdachte in te houden, zoals Miloševic claimt. Een dergelijk expliciet recht ontbreekt echter in het zogeheten Bupo-verdrag van de VN (burgerlijke en politieke rechten). Niet onbelangrijk voor een VN-tribunaal. Het Europees verdrag verzet zich ook niet tegen verplichte rechtsbijstand, bleek in 1986 in de Britse zaak-Gillow. Daarbij ging het om de beroepsprocedure over een geweigerde woonvergunning op het eiland Guernsey die de betrokkene niet zelf mocht instellen, maar alleen via een advocaat.

Een grote politieke strafzaak is andere koffie dan een woonvergunning. Maar ook in een strafzaak is de inschakeling van een Pflichtverteidiger een gerede optie. Met name wanneer de verdachte, om welke fysieke of psychiatrische reden ook, door de rechter te verzwakt wordt bevonden om zijn belang geheel zelfstandig te behartigen. De vraag is niet of het VN-tribunaal de bevoegdheid heeft om Miloševic een raadsman toe te wijzen, maar of dit nu noodzakelijk is. Een voorname drijfveer van het tribunaal lijkt te zijn dat het proces te lang gaat duren. De duur van een strafzaak is een internationaal erkend belang. Maar het is niet sterk daar mee aan te komen nu de aanklagers hun eigen tijd hebben overschreden en Miloševic net is begonnen met zijn verweer. Of dit een politiek verweer is, doet niet ter zake. De rechters hebben uiteindelijk te oordelen over de strafrechtelijke aanklacht. Dat weet de verdachte en als hij de hem toegemeten tijd wenst te besteden aan een politiek verweer is dat zíjn keuze en risico.

De gezondheidstoestand van Miloševic is een andere kwestie. Dit is een objectieve zorg voor het VN-tribunaal, al was het alleen omdat een rechtszaak met de dood van een verdachte nu eenmaal eindigt. Het vereiste van een eerlijk proces kan nopen tot het aanstellen van een verdediger om een verzwakte verdachte bij te staan. Maar niet verder dan hij dit daadwerkelijk behoeft. De lakmoesproef voor het proces-Miloševic is niet het toewijzen van een raadsman, maar de ruimte die de rechters de verdachte laten om desondanks zijn standpunt naar vermogen te berde te brengen. Tot het bittere eind.