Drie procent groei is genoeg voor een zonnige toekomst

Nederland is door de ongunstige conjunctuur en het procyclische beleid van dit kabinet een angstig land geworden, meent Jan Pen.

Er waait een gure wind door Nederland. Terwijl ons rond de jongste eeuwwisseling werd verteld dat we ons moesten koesteren in de warmte van de IT-revolutie, is het klimaat veranderd. We leven te luxueus. We moeten niet alleen bezuinigen maar ook harder en langer werken. Vooral minister Brinkhorst houdt ons voor dat we minder vrije dagen moeten opnemen. De vakanties moeten korter. Dat is nodig om de concurrentie met andere landen vol te houden. Hij wil zelfs terug naar de veertigurige werkweek, een stap terug in de beschaving.

Het kabinet bedenkt de ene maatregel na de andere om mensen uit hun woningen, hun caravans en hun vakantieadressen te jagen – ze moeten naar de werkplek. Want daar wordt geproduceerd en om de productie is het te doen. De groei van het nationale product is bij ons te laag en dus raken we steeds meer achterop. Natuurlijk ligt ons per capita inkomen vanouds achter bij de Verenigde Staten, maar die achterstand neemt toe. Engeland doet het beter dan wij, net als Frankrijk en België, en zelfs het trage Duitsland heeft een hoger groeicijfer. In het Verre Oosten zit de grootste groeier van allemaal: China. Daar weten ze nog wat werken is, en het groeipercentage ligt in de buurt van de tien.

En bovendien gaan ze in Peking de volgende Olympische Spelen houden. In de gedachtegang van het kabinet wordt de groei gezien als een olympische wedstrijd met winnaars en verliezers. Dan telt eigenlijk alleen de top drie mee – goud, zilver en brons. De vierde plaats is voor losers, die naar huis gaan en daar moeten uitleggen wat mis gegaan is. China had vroeger veel van die losers, ze waren alleen goed in gewichtheffen en pingpong, maar in Athene wonnen ze goud in de atletiek en het tennis. Ze waren, meteen achter de VS de grote winnaars. Het denken over de economische groei wordt beïnvloed door deze valse analogie met een wedstrijd; het is opeens een conflict. En daardoor verdwijnt de hoofdzaak uit het zicht.

De hoofdzaak is dat de groei van de productie alleen goed is voor de mensen in het land als zij er op de één of andere manier beter van worden. Beter, dat kan zijn dat ze meer inkomen krijgen, en dat is gewoonlijk wel in orde. Maar er zijn bijna altijd negatieve effecten. Groei is alleen goed bij een positief saldo. Een sterk voorbeeld van een negatief saldo is de varkensfokkerij. Daar is veel geld verdiend terwijl hele streken onbewoonbaar werden. Het stonk in de Peel, het ministerie van Landbouw subsidieerde de bouw van enorme stallen. Wie daar kritiek op had werd neergezet als een fanatiek milieuactivist. Deze actieve bevordering van de vervuiling is nu uitgebannen, maar Schiphol is nog altijd een geval waarbij de negatieve externe effecten volgens sommigen de positieve effecten voor werk en inkomen overtreffen.

De varkensfokkerij was destijds een geval waar ik de selectieve krimp op wou toepassen. Bij Schiphol vind ik dat ook – het is in die buurt een lawaai van jewelste. Maar anderen, in de branche zelf, denken daar heel anders over. Zoveel is zeker, dat de groei van het luchtverkeer positieve en negatieve effecten heeft op het welzijn van de mensen en dat deze niet in cijfers kunnen worden uitgedrukt. Het saldo blijft daarom onzeker. Dat geldt ook voor de enorme goederenstroom die bij Hoek van Holland ons land binnenkomt en via Rotterdam zijn weg vindt naar Duitsland en elders. Deze transito schept werk en nieuwe technologie, vooral bij de logistiek, maar zorgt ook voor enorm veel vrachtwagens op de weg. Een tastbaar voorbeeld is de groei van het toerisme per bus, die zorgt voor congestie in de steden. Een bron van inkomsten voor de één en een plaag voor de ander.

Gelukkig bestaan er gevallen waarbij de groei goed is voor de mensen en er geld verdiend wordt terwijl nauwelijks sprake is van milieuschade. Zie de medische en de zorgsector. Ik heb verleden jaar een paar maanden in een revalidatiecentrum gelegen om te herstellen van een beroerte. De verpleegkundigen en de fysiotherapeuten doen hun werk, zo te zien met plezier, de patiënten gaan er doorgaans op vooruit, maar ook hier is iemand die de last draagt: de belastingbetaler. Voor zijn belang komt een enorme pressiegroep op – aan het hoofd van die pressiegroep staat de minister van Financiën en dat ambt is bij Gerrit Zalm in goede handen.

Minder bekend is een ander voorbeeld van werk zonder milieuschade dat toch royale inkomens kan opleveren: men schrijft eens een boek, men componeert een muziekstuk, of men voert er een uit, men verzorgt als deejay een dansavond, of bouwt een installatie zoals Aernout Mik. De groei in deze creatieve sector laat zich echter niet opjutten door de overheid – geld helpt, zeggen sommigen maar anderen vinden juist dat de subsidies de kunstenaar en de museumdirecties lui maken. Maar het kabinet moet zich onthouden van het snijden in de subsidies voor de kunsten, dan vallen er minder ontslagen.

Wat ik maar wil zeggen is dat de groei van de productie niet bij voorbaat mag worden aangemerkt als goed voor ons. Maar wie nu concludeert dat we genoegen moeten nemen met nulgroei heeft mij verkeerd begrepen. Want stagnatie is heel slecht voor de mensen in het land. Nederland is door de ongunstige conjunctuur en het procyclische beleid van dit kabinet een angstig land geworden. Sommige mensen verliezen hun baan en anderen zijn bang om het werk dat ze hebben kwijt te raken. Groei is nodig om de fleur erin te houden – dat geldt voor kruideniers, aannemers en vooral ook voor kranten. Ik ben zelf bij Het Parool ontslagen als columnist, en het argument dat mijn bijdrage als freelancer een stuk goedkoper was dan het werk van de anderen, werd weerlegd met ,,we moeten op de kleintjes letten.''

De meest gewenste groei is eenvoudig te schatten: één procent is nodig om de groeiende beroepsbevolking op te vangen en voor de stijging van de arbeidsproductiviteit is nog eens twee procent nodig. Drie procent, dat wil ik als politieke doelstelling verdedigen. We hebben dat gehaald in de jaren negentig, nu eens wat meer, dan weer iets minder. Het is een realistische trend voor de lange termijn. Maar dan moet dat beleid wel ondersteund worden door een milieubeleid, waarin zware ecoheffingen de productie in milieuvriendelijke richting sturen. Bovendien moet de arbeid goedkoper worden door verkleining van de wig tussen bruto en netto, en dat kan gebeuren door de aow-premie te fiscaliseren – maar dat is een hoofdstuk apart. Verder moet het het toptarief van de inkomstenbelasting worden verhoogd tot 60 procent, zodat de miljonairs van Nederland meer bijdragen aan ons aller welzijn dan nu. Zij kunnen dan hun loonstrookje of hun aanslagbiljet publiceren en zeggen: ,,Kijk eens wat een zegen wij zijn voor het land.''

Mijn lijstje van politieke wensen is lang en het is een lijstje van een linkse nationalist; het zal dan ook niet worden vervuld. Maar juist daarom ben ik blij dat de snelle groei die andere landen bereiken, met China aan de top, bij ons niet wordt gehaald. Laten de anderen hun land maar volstouwen en vervuilen, en spaar ons die negatieve effecten. Als wij maar zorgen voor volledige werkgelegenheid vind ik het groeicijfer al mooi genoeg. Langer werken is dan niet nodig en het pleidooi van Brinkhorst kan worden afgedaan als reactionair. Voor het overige blijf ik hopen op een betere toekomst, die ik zelf niet zal meemaken, en dan onder een links kabinet.

Dr. Jan Pen is econoom.

    • Jan Pen