Veilig moeras

In het plassen- en veenweidegebied tussen Nieuwkoop, Vinkeveen en Woerden kunnen zeldzame moerasvogels flink in aantal toenemen als hun leefgebied groeit. Daar is wel ruim duizend hectare extra moeras voor nodig.

MOERASVOGELS als wouwaapje, grote karekiet en zwarte stern zakken in aantal steeds dieper weg. Om tien bedreigde moerasvogels te behouden voor het Hollands-Utrechtse plassen- en veenweidegebied is 1.000 à 1200 hectare nieuw moeras nodig, bestaande uit een combinatie van uiteenlopende moerasvegetaties. Dat concludeert Bureau Waardenburg op grond van onderzoek in opdracht van Vogelbescherming Nederland. Op 8 september wordt het rapport gepresenteerd.

Moerassen en plassen in Nederland bestaan vooral uit moerasbos en open water. Tussenvormen zijn er nauwelijks meer en die zijn juist nodig. Natte rietvelden bijvoorbeeld, plassen die ontstaan dankzij sterk schommelende waterstanden: 's winters nat, 's zomers droog. De moerassen zijn nu te klein voor sterke afwijkingen in waterpeil vergeleken met de agrarische omgeving. Met duizend hectare erbij kan dat wel en kunnen voor de moerasvogels vereiste leefgebieden ontstaan.

De provincies Utrecht, Noord- en Zuid-Holland willen hun Nieuwkoopse en Vinkeveense Plassen (en nog enkele plassen) flink uitbreiden, met medewerking van tien gemeenten, waterschappen en landbouw-, toerisme- en natuurorganisaties. Deze nieuwe waterlinie is De Venen gedoopt en valt onder de Ecologische Hoofdstructuur. Het gebied is belangrijk voor verschillende schaarse moerasvogels: purperreiger, roerdomp, wouwaapje, lepelaar, krooneend, zwarte stern, porseleinhoen, snor, grote karekiet en blauwborst. Sinds de jaren vijftig zijn de aantallen van de meeste van deze soorten stevig gedaald in De Venen. Alleen van de krooneend en de purperreiger overtreft het aantal paren de zogeheten streefwaarde, het minimale aantal broedparen voor een levensvatbare populatie.

rietvelden

De krooneend is sinds de jaren vijftig als enige soort in aantal toegenomen in dat gebied: van 25 tot 76 paar. Die eend, waarvan de woerd een vlammend oranjerode kop en snavel heeft, vindt vooral in de Vinkeveense Plassen en Botshol genoeg schoon, open water waar hij kranswieren kan opduiken. Maar de purperreiger daalt al jaren langzaam in aantal. De oorzaak: gebrek aan sloten met helder water om vis en modderkruipers te vangen en te weinig grote, natte rietvelden met veilige broedplekken. Nu zoeken ze een heenkomen in bomen, waar ze mede door paniekzaaiende vossen onvoldoende kuikens grootbrengen. ``Als er een vos passeert springen de jongen van schrik uit het nest'', vertelt Ruud van Beusekom van Vogelbescherming. ``Ze hebben grote, natte rietvelden nodig waar ze geen last hebben van vossen. Maar zulke uitwijkmogelijkheden zijn er nauwelijks.''

Minstens twintig (liever nog: veertig) hectare aaneengesloten nat rietveld is nodig om te voorkomen dat de populatie in de Venen niet zakt onder de streefwaarde van tachtig broedpaar. Nu zijn er nog 120 paren. Blauwborstjes zouden in De Venen genoeg moerasgebied hebben om hun streefwaarde van tachtig paar te halen, als er niet zo intensief riet gemaaid werd. Deze fraaie zangvogels broeden er nu met dertig tot vijftig paar, in droog riet dat al een tijdje meegaat. Nieuw riet komt nog maar net boven de grond als de vogels in de lente arriveren. Zou een vijfde deel van het gemaaide riet niet langer gemaaid worden, dan zou de blauwborst zijn streefwaarde bereiken.

rietvelden

Overjarig riet is een bottleneck in De Venen. De oppervlakte ervan moet meer dan vertienvoudigen, van 60 tot 630 hectare. Dat riet dient ten minste drie jaar oud te zijn en in de lente in twintig tot vijftig centimeter diep water te staan. Op zulk riet zijn purperreiger, snor, roerdomp, grote karekiet en wouwaapje aangewezen. De laatste twee soorten hebben bovendien alleen wat aan dat riet als het in circa tien meter brede rietkragen langs open water groeit. Zulke rietkragen zijn er nu niet, terwijl er twintig kilometer van nodig is om veertig paar wouwaapjes en zestig paar grote karekieten te huisvesten. Het wouwaapje (nu één tot vijf paar) is een klein, oranje met zwart gekleurd reigertje dat door rietstengels klautert. De grote karekiet (nu twee tot vijf paar) is een bruine zangvogel die hangend aan een rietstengel luid `karre karre kiet' roept. Ook de roerdomp, nu nog aanwezig met twee tot zes broedparen is veeleisend. Voor een streefwaarde van veertig paar is 216 kilometer moerasrand vereist, waarvan 84 kilometer begroeid met overjarig riet.

Porseleinhoenders, een geheimzinnig soort ral die in lentenachten zijn roep als een zachte zweepslag laat horen, hebben 165 hectare zeggenmoeras nodig, doorsneden met sloten, om hun streefwaarde van 55 paar te halen. Nu broeden er 0 tot 3 paar. Zeggenmoeras bestaat uit zeggen, biezen of russen die in de lente in maximaal twintig centimeter diep water staan, in juni opdrogen maar 's winters door dieper water overstroomd worden. Behalve broedgebied voor porseleinhoenders is zeggenmoeras voedselleverancier voor zwarte stern, purperreiger, wouwaapje en roerdomp. Momenteel is er geen zeggenmoeras in de Venen.

wensen

Bureau Waardenburg heeft de gebiedseisen per soort geformuleerd op grond van de dichtheden moerasvogels die een halve eeuw geleden in verschillende typen moerasgebied leefden. Om alle moerasvogelwensen te vervullen, moet er duizend tot 1.200 hectare moeras bij komen. Nu is er in de de plassengebieden 1.735 hectare nieuwe natuur gepland, waarvan duizend voor moeras. Dat biedt dus perspectieven, maar of die duizend hectare moeras er echt komen is nog maar de vraag. Met de Ecologische Hoofdstructuur, waaronder de Venen vallen, maakt de overheid geen haast. En ondertussen is volgens Van Beusekom ``de interesse van de betrokken provincies en gemeenten voor moeras tanende''.

En al worden alle plannen verwezenlijkt, dan nog biedt dat geen garantie dat de kwijnende moerasvogels zich herstellen. Het wouwaapje bijvoorbeeld is vrijwel geheel verdwenen. De kans op immigratie is om die reden klein, hoe aantrekkelijk het landschap voor die soort ook wordt. Ook kan de oorzaak van teloorgang van vogels elders liggen, bijvoorbeeld in de gebieden waar ze overwinteren.