Slow journalism

Er was een tijd dat kranten stevig ingebed waren in een eigen achterban, een eigen partij.

Er was een tijd dat de krant een 'meneer' werd genoemd, dat NRC Handelsblad een chique uitstraling had en dat politici, beleidsmakers, bestuurders, artsen, advocaten graag gezien werden met 'de NRC' onder hun arm. Die tijd lijkt voorgoed voorbij. Daar hoeven we niet rouwig om te zijn.

Maar daar zitten twee kanten aan. Kranten zijn beter geworden, onafhankelijker, kritischer, ze investeren meer dan ooit in onderzoeksjournalistiek en maken daarmee vijanden. Aan de andere kant vervlakken ze, populariseren ze, mede onder invloed van de televisie en van het moderne leven.

Sommige lezers storen zich eraan dat kranten steeds meer ruimte vrijmaken voor lichte onderwerpen en infotainment. Ze kruipen daarmee steeds meer naar elkaar toe.

Dat leidt tot een zeer ongewenst verschijnsel: bestuurders, politici en ambtenaren vegen alle media tegenwoordig op één hoop. Als je hen mag geloven, wordt er in Nederland nauwelijks nog serieuze journalistiek bedreven. Alle journalisten hollen van de ene hype naar de andere en inhoudelijke kwesties komen in de pers nauwelijks nog aan de orde. Dit is aantoonbaar onjuist. Er zijn goede journalisten en slechte journalisten. Goede journalisten nemen hun werk serieus en gaan daarbij vaak op lange tenen staan. Beunhazen moeten tot de orde worden geroepen. In M beschrijft Gerard van Westerloo deze maand het groeiend wantrouwen tussen pers en bestuur. Een onthutsend verhaal.

Het tegenovergestelde van de hype heet sinds kort slow journalism. Die term gebruikt de Britse journalist John Lloyd in zijn boek What the Media are Doing to Our Politics. Het boek is zeer kritisch over onze beroepsgroep. Lloyd pleit voor een terugkeer naar een langzame, degelijke vorm van journalistiek, zonder hijgerigheid. Bij die beweging wil ik me graag aansluiten.

    • Laura Starink