Rovers maken Tweestromenland tot maanlandschap

Op duizenden archeologische vindplaatsen in Irak graven rovers naar schatten van de Babylonische en Akkadische rijken. De stukken worden vervolgens voor grof geld verkocht over de grens. Een Duitse archeologe probeert lokale sjeiks over te halen om de cultuurschatten te beschermen.

Tot honderd dollar betalen Iraakse smokkelaars voor een mooi artefact. Ze leggen op die manier de hand op tonnen unieke en onvervangbare spijkerschrifttabletten, beeldjes en cylinderzegels afkomstig uit de oudste menselijke beschavingen – schatten uit Sumer en de Babylonische en Akkadische rijken.

Een Koerdische maffia koopt sinds het einde van Saddam Husseins regime in heel Irak alles op wat waarde heeft. Daardoor is een goudkoorts ontstaan onder de arme bevolking, die vooral in het zuiden van het land en in de afgelegen woestijngebieden met groot enthousiasme op schattenjacht is getogen. Al wie met een truweel of een schop overweg kan trekt dagelijks naar de archeologische vindplaatsen – een leger van ettelijke duizenden mensen, onder wie veel gewezen medewerkers aan officiële wetenschappelijke opgravingen.

Deze systematische plundertocht houdt nu al meer dan een jaar huis op de duizenden belangrijke vindplaatsen in het Tweestromenland. De `vondsten' worden door de smokkelaars ter plaatse gekeurd en gekocht en vervolgens onmiddellijk het land uitgesmokkeld; in het buitenland word er grof geld mee verdiend. Af en toe wordt een smokkelaar met een vrachtje museumstukken bij de kraag gevat leger bij de veel te schaarse grensposten.

,,Je waant je in de bazaar als die Koerdische smokkelaars afkomen op een vindplaats'', vertelt de Duitse archeologe Suzanne Osthoff, die al al twintig jaar in Irak opgravingen doet. Osthoff werkt mee aan opgravingen in Tell Isin, een Sumerische stad op 200 kilometer ten zuiden van Bagdad. Die opgraving leverde heel aardige vondsten op en fundamenteel nieuw inzicht in leven en cultuur van de Sumeriërs.

Totdat de schattenjagers kwamen. ,,De plunderaars hadden welgeteld 15 dagen tijd nodig om Tell Isin in een maanlandschap om te toveren. Ze gebruiken geen penseel zoals archeologen maar graafmachines en bulldozers.'' Er is niets tegen te beginnen. ,,De sjeiks controleren met hun gewapende tribale groepen hun eigen gebied'', klaagt Osthoff. ,,Je riskeert je leven als je hun iets in de weg wil leggen.''

Tegen de plundering van Isin heeft Osthoff ten slotte Amerikaanse militairen om hulp gevraagd. Osthoff zag dat de grafschenders een groot terracotta hoofd naar boven haalden. ,,Het was een prachtstuk. Toen ik de volgende keer langs kwam was het hoofd verdwenen. Lokale tribale leiders beweerden dat het door Amerikaanse militairen in een helikopter was meegenomen.''

In Babylon waar Amerikaanse soldaten op de opgraving zelf ingekwartierd waren en na een aantal maanden vervangen werden door Poolse militairen gebeurden vervolgens heel merkwaardige dingen. ,,De Polen hebben daar meteen een illegale opgraving opgezet. Maar wegens de internationale verontwaardiging hebben ze die praktijk uiteindelijk weer gestaakt'', vertelt Osthoff.

Zolang de Iraakse grenzen wagenwijd openstaan en alle overheidscontrole ook in het binnenland zelf ontbreekt zullen goed georganiseerde smokkelbendes hun kans schoon zien. De smokkel- en plunderoperatie wordt ernstiger nu het politieke proces vordert. Al lijkt het nieuwe Iraakse interim-regime nu nog wankel, het is duidelijk dat de kunstroof stilvalt wanneer de grenzen weer dicht gaan. Dat verklaart waarom de smokkelaars en rovers nu heel driest te werk gaan.

,,Je kunt het plunderen een halt toe roepen'', zegt Osthoff, ,,maar paradoxaal genoeg moet je daarvoor een beroep doen op de tribale leiders, zeker zolang de staat te zwak is in grote delen van Irak. De sjeiks kunnen gewapende wachters over de vindplaatsen en monumentale tempels en graven laten waken'', zegt Suzanne. Ze heeft zelf goede contacten met die sjeiks en ze doorkruist heel het land om de tribale leiders voor haar project te winnen. Ze draagt een zwarte katoenen hoofddoek en spreekt vlot het Iraaks-Arabische dialect.

Voor haar werk heeft Osthoff ook al internationale prijzen gekregen. ,,Die sjeiks moeten nu vaak met tegenzin die plunderingen op hun eigen tribale grondgebied toelaten omwille van de honger en armoede die hun clan treft. Ze moeten dus overtuigd worden van het feit dat zij veel beter af zullen zijn als zij tegen betaling de bescherming van hun eigen culturele erfgoed op zich nemen, en dat ze er meer geld mee zullen verdienen dan met het plunderen'', aldus Osthoff.

Een alternatief voor deze aanpak is er voorlopig niet. De publieke instellingen die ten tijde van Saddam de oudheden beschermden zijn weggevallen. De oude Dienst voor Oudheden is net zoals alle overheidsinstellingen uit het Ba'ath-tijdperk ontbonden. De nieuwe Staatsdienst voor Oudheden en Erfgoed kan wel rekenen op een hele schare goed gemotiveerde vrijwilligers, maar heeft vooral een groot gebrek aan middelen.

In Ctesiphon staat bij de tempel daterend uit de Perzische overheersing een ongewapende bewaker. Zijn werkgever is met de komst van de Amerikaanse troepen verdwenen. De bewaker verkoopt kaartjes bij de ingang. Maar veel verdienen doet hij niet. Kinderen spelen voetbal in de banketzaal van de Sassaniden-tempel. De bal kaatst tegen de muren van 's werelds grootste bakstenen gewelf met een spanwijdte van 25 meter. De tempel lijkt intact, maar het grote panorama dat Saddam pal naast de tempel liet optrekken is helemaal leeggeroofd.

Zolang Irak onveilig is willen de grote wetenschappelijke en internationale culturele instellingen zoals Unesco niemand naar Irak sturen. ,,Aanvankelijk was de verontwaardiging groot, maar na een paar maanden lag dat al helemaal anders. De internationale wetenschappelijke gemeenschap heeft Irak gewoon helemaal opgegeven'', zegt Osthoff. ,,In het buitenland hoor je onder archeologen dat Irak verloren is. Het klopt niet en het wordt door veel mensen als een wat te makkelijk excuus gebruikt. Het gaat hier om het patrimonium van heel de wereld, om onze eigen geschiedenis'', bromt de Duitse archeologe, ,,maar dat is kennelijk allemaal bijzaak in de wereld van hightech, plastic en Coca Cola.''

Het Nationale Museum voor Oudheden in Bagdad bevat ondanks de plunderingen direct na de oorlog nog steeds een van de rijkste collecties ter wereld, maar is een open huis. Er staan alleen een paar bewakers met kalasjnikovs bij de poort. Een groepje gewapende plunderaars kan hier zonder veel hinder op ieder moment vele uiterst zeldzame objecten roven.

Abdul Aziz Hameed, hoogleraar aan de universiteit van Bagdad, is zojuist aangesteld als directeur van de Dienst van Oudheden. ,,We hebben in 2003 een ware orgie van plunderen en brandschatten meegemaakt, een satanische rite die zich gedurende drie volle dagen in het museum voltrok. Zelfs het meubilair werd naar buiten gesleurd of in brand gestoken. Er was geen elektriciteit, maar de plunderaars hadden toortsen meegebracht. Wat ze niet hebben meegenomen werd moedwillig beschadigd'', vertelt Hameed. ,,Gelukkig hadden wij vlak voor de oorlog alle kleinere objecten in veiligheid gebracht. Het goud zat veilig in de Centrale Bank en de manuscripten worden nu nog altijd in een `safe house' bewaard.''

Er zijn bij de plunderingen 15.000 stukken verloren gegaan, waaronder grote beelden en bas-reliefs. Dankzij een officiële amnestiemaatregel zijn er daarvan al 5.000 teruggebracht. Nog eens 5.000 objecten zijn teruggevonden en wachten in het buitenland op repatriëring – er zijn stukken opgedoken in Frankrijk, Jordanie, in Libanon, Zwitserland en in de Verenigde Staten. ,,Van de overige stukken hopen we nog eens de helft te kunnen terugkrijgen'', zegt Hameed. ,,De schade valt dus eigenlijk nogal mee, want je moet wel bedenken dat de geroofde stukken samen maar twee procent zijn van de totale collectie die tot de grootste van de wereld hoort. In dit museum worden in normale tijden meer dan 750.000 objecten bewaard. Het waren vaak wel de mooiste stukken.''

Het eerste wat opvalt is dat het museum nu grondig is opgeruimd. Het museum is uiteraard nog gesloten, maar de kantoren die gedeeltelijk uitgebrand waren en de archieven zijn van nieuw meubilair voorzien en de muren netjes geschilderd. ,,We hebben veel hulp gekregen vanuit het buitenland, vooral van de Amerikanen, de Italianen en de Duitsers. Ze helpen ons met de verlichting, met nieuwe vitrinekasten, laboratoriumuitrusting en voor de opleiding voor de restaurateurs. Vooral dat laatste is van belang om al die beschadigde objecten op adequate wijze te kunnen behandelen'', zegt Hameed. ,,Gisteren kreeg ik een brief van de regering in Peking: `stuur ons een lijst, zeg ons wat je nodig hebt'. Dat is wat we willen horen'', zegt Hameed. ,,Er is nog hoop.''

Maar hoe zit het met de opgravingen? Zijn die niet in groot gevaar? De directeur krimpt ineen. ,,Ik had gehoopt dat je me die vraag niet zou stellen. Het is rampzalig wat er daar allemaal gebeurt. We doen ons best om het plunderen te stoppen, maar er wordt nog altijd op grote schaal geplunderd en veel van ons erfgoed wordt over de grenzen gesmokkeld en verkocht. Wij smeken de wereld om hulp. Als we over het nodige geld beschikken kunnen we snel voor beveiliging zorgen op de sites en aan die criminele praktijken paal en perk stellen.''

Er staan ook veel Amerikanen en Europeanen klaar om die smokkelaars een lucratief handeltje te bezorgen. Hameed doet het relaas van een Amerikaanse journalist die gearresteerd werd. ,,Hij schreef over het huidige Irak en deed zeer verontwaardigd over de plunderingen, maar hij werd door de Amerikaanse douane op heterdaad betrapt op 12 augustus 2003 in J.F. Kennedy Airport in het bezit van drie kostbare cilinderzegels die gestolen waren uit het museum van Bagdad.''

    • Wilfried Bossier