Oorlog tussen pers en politiek

Steeds luider klinkt de kritiek op de pers. Bestuurders overtreffen elkaar met harde uitspraken over het papegaaiende mediacircus, dat weigert zich aan enige controle te onderwerpen. Een rondgang langs hoofdredacteuren en bestuurders leidt tot een verontrustende conclusie: nooit was het wantrouwen tussen pers en politiek zo groot.

'De overheid', zegt Pieter Broertjes, hoofdredacteur van de Volkskrant, 'heeft ontzettend veel kritiek op het functioneren van de pers. Veel meer dan er in mijn beleven ooit geweest is. Er is sprake van een vertrouwenscrisis tussen de Nederlandse pers en de Nederlandse overheid. De overheid wil ons onder curatele stellen. Heel sterk zelfs.'

'Je ziet', zegt Frits van Exter, hoofdredacteur van Trouw, 'vanuit het establishment een onmiskenbare beweging tegen de pers. De Donners en de Balkenenden van deze wereld vinden dat de Nederlandse journalistiek in den brede hoogst onverantwoordelijk opereert en dat de pers hun gezag ondermijnt.

Ze willen strengere spelregels. De lijn tussen terechte kritiek op de pers en een min of meer regenteske uitschakeling van de functie van de pers is vrij dun geworden.'

'Er is', zegt Folkert Jensma, hoofdredacteur van NRC Handelsblad. 'zeker iets gaande. De vanzelfsprekende, gekoesterde plek die de onafhankelijke journalistiek had, is teruggedrongen. De overheid vertrouwt ons niet meer. Ze wil haar eigen waarheid het liefst buiten de pers om aan de man brengen. Ik zeg met permissie, dat zijn wensen en illusies die mij aan de ddr doen herinneren.'

Ja, er wringt iets in de omgang tussen de Nederlandse pers en het Nederlandse openbaar bestuur. Iets dat verder gaat dan de scepsis die de overheid het vrije woord van nature toedraagt. En iets dat, vice versa, verder gaat dan het gezonde wantrouwen waarmee de vrije persmuskiet sedert de jongste dag de al dan niet gekozen bestuurder bejegent.

De laatste tijd buitelt de ene Haagse Hoogwaardigheidsbekleedster over de andere Bestuurlijke Gezagsdrager om 'de media' te kapittelen.

Volgens de koningin regeert in de Nederlandse pers de leugen.

Volgens minister van Jusititie P.H. Donner leveren de weinige persorganen die nog wel naar kwaliteit streven een achterhoedegevecht. 'Bij iedere andere tak van bedrijvigheid', zei hij bij het jubileum van de Nederlandse journalistenvereniging, 'zou de wetgever allang hebben ingegrepen.'

Volgens premier Balkenende is het niet aan hem om de pers de maat te nemen. 'Dat zou me', sneerde hij bij de opening van het verbouwde Haagse perscentrum Nieuwspoort, 'te veel tijd kosten.'

Volgens burgemeester Cohen van Amsterdam, feestredenaar ten overstaan van de verzamelde Nederlandse hoofdredacteuren, worden hun kranten en uitzendingen 'steeds eenvormiger en saaier. En daarmee steeds gevaarlijker'.

En in hun aller kielzog bepleiten diverse Haagse bestuurlijke adviesorganen als daar zijn de Raad voor het Openbaar Bestuur en de Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling krachtige ingrepen om de Nederlandse pers te dwingen verantwoording af te leggen over het misbruik dat ze bij nacht en ontij van haar grondwettelijke vrijheden maakt.

Dat is de ene kant, de kant van de overheid.

Aan de andere kant, die van de journalisten, is er aan verontruste bewoordingen evenmin gebrek.

'Ik vind', zegt Maria Henneman, tot september hoofdredacteur van Netwerk, 'dat de overheid een gevaarlijke paternalistische houding aanneemt tegenover de journalistiek. Ze houden niet van brutale journalisten. Als wij op een ongelegen ogenblik een vervelende vraag stellen, zijn ze al beledigd. Het is altijd onjuist wat wij opschrijven of uitzenden, het deugt niet, het is te cynisch of we hebben hun boodschap niet begrepen. Ze willen dat wij hun verlengde microfoon zijn.'

'Sorry als ik me te veel opwind', zegt Harm Taselaar, hoofdredacteur van het RTL Nieuws, 'maar de arrogantie van de overheid, ik vind het vreselijk. Als pers zijn wij op aarde om daar doorheen te prikken, om de overheid voortdurend te controleren. Daar spreekt de overheid schande van. Die is er niet meer op uit om ons van betrouwbare informatie te voorzien. Die is er alleen nog maar op uit dat wij het verhaal brengen zoals zij willen dat wij het brengen.'

'De overheid', zegt Rimmer Mulder, hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant ten slotte, 'ziet de pers steeds meer als lastig, als een risicofactor. Voor een onafhankelijke kijk is er weinig respect meer. Aan alles wat ze doet plakt de overheid liever haar eigen communicatiepakket vast. Dat eindigt in een afschuwelijke maatschappij. Big Brother komt naderbij: één grote centrale die voor ons allemaal bepaalt wat we wel en niet mogen weten en hoe we daarover moeten denken. Zoals de overheid nu met de pers en met de informatie omgaat, ja, dat vind ik antidemocratisch.'

Kortom: wat is er anno 2004 aan de hand in het verkeer tussen pers en overheid? Met welke al dan niet verdraaide blik kijken de bedienaren van het vrije woord tegen de overheid aan die zelf vindt dat ze het beste met ons voor heeft? En met welk al dan niet verdiend dédain kijken de bedienaren van het openbaar bestuur neer op de pers die zich in hun ogen en masse heeft overgegeven aan halve waarheden, hele leugens, hypes, roddel, sensatiezucht, nieuwsjagerij en georganiseerd beschadigingswerk aan zuurverdiende reputaties?

Dronkeman

In zijn Groningse stadhuis spreek ik met burgemeester Jacques Wallage, hoofdauteur van een rapport dat de aanbeveling doet om jaarlijks een half miljard méér uit te geven aan de eigen overheidsvoorlichting teneinde tegenwicht te bieden aan de tekortkomingen van de vrije pers. 'Vroeger', zegt hij, 'zag je in de media wat er in de politiek gebeurde. Nu bepaalt wat er in de media gebeurt de politiek.' Als bestuurder, zegt hij, krijg je de dilemma's waarmee je worstelt niet meer in de krant en dus niet meer bij de burger. 'De pers gedraagt zich als een dronkeman die telkens de verkeerde steeg in wankelt.'

Op haar werkkamer in de Amsterdamse Stopera met vrij uitzicht op de Wateloopleinmarkt spreek ik met Anne Lize van der Stoel, deelraadsvoorzitter van de binnenstad en medeauteur van een recent rapport waarin de Raad voor het Openbaar Bestuur onder veel andere zaken de oprichting bepleit van een eigen regeringskrant die de misinformatie van de vrije pers een halt moet toeroepen. 'Als overheid', zegt ze, 'krijgen wij onze boodschap niet meer over het voetlicht.' Volgens haar schrijft de pers niet op wat er werkelijk speelt, maar geeft ze zich in plaats daarvan over aan het onophoudelijk afbreken van de overheid. 'Daar heb ik grote moeite mee, omdat we wel onderdeel zijn van het democratische bestel in dit land.'

In een Haagse torenkamer spreek ik met professor Hans Adriaansens, voorzitter van de Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling en verantwoordelijk voor een recent rapport dat onder andere de instelling bepleit van een 'mediawatch-instituut' dat de vrije pers kritisch moet gaan volgen. 'Waar het echt om gaat', zegt hij, 'dat vind je in de kranten en op de televisie niet meer terug. Wat ik zelf vertel komt altijd platter in de krant dan ik het bedoeld heb.'

En in zijn Amsterdamse tuin spreek ik met Rob Oudkerk, ex-wethouder van Amsterdam en zelf recent het slachtoffer geworden van een mediahype. 'Het cynisme', zegt hij, 'druipt gewoon van de kolommen af als het gaat om de beschrijving van wat bestuurlijk Nederland nu weer aan het doen is.' Volgens hem is wantrouwen de grondhouding geworden van de Nederlandse pers. En cynisme. 'Wantrouwen en cynisme', zegt hij, 'zijn de basispijlers. En het zijn tegelijk de pijlers van de verdoemenis.'

Alleen de Rotterdamse burgemeester Ivo Opstelten zegt dat hij over de pers niet veel te klagen heeft. 'Een bestuurder', zegt hij nuchter, 'die geen volwassen verstandhouding met de pers weet op te bouwen, die deugt niet voor zijn vak. Als je niet tegen de pers op kan, moet je iets anders gaan doen.'

Vreeswekkend beeld

Met zes hoofdredacteuren heb ik gesproken en met vijf bestuurders die zich in de een of andere hoedanigheid met de pers hebben beziggehouden. Een stapel verse rapporten heb ik gelezen vol met aanbevelingen voor politici die de medialuizen onverwijld uit hun pels dienen te schudden en vol kritiek op journalisten die hun leugens ongecontroleerd aan de man brengen. Uit al die gesprekken, rapporten en publicaties rijst een beeld op dat tamelijk nieuw is en tamelijk vreeswekkend tegelijk: de moderne overheid vertrouwt de vrije pers niet meer en de pers heeft geen vertrouwen meer in de eigen overheid.

Het kan er niet aan liggen dat de hoofdredacteuren die ik spreek de pers en al haar uitingen blindelings voor heilig en onfeilbaar houden. Integendeel. De een, Folkert Jensma van NRC Handelsblad, zegt dat hij geregeld bevangen wordt door 'een enorme gêne als ik zie wat mijn beroepsgenoten zoal plegen te doen. Onbekommerd denken: wat een mooi beroep heb ik toch, is er zelden meer bij. Journalisten lopen vaak als kippen zonder kop achter elkaar aan. Er is in ons vak een behoorlijke achterstand in discipline.' De ander, Frits van Exter van Trouw, ergert zich dood aan het papegaaiencircuit dat 'de drempel om zonder eigen onderzoek iets sensationeels te publiceren, alleen maar omdat een andere krant dat ook gedaan heeft, veel lager gelegd heeft.' Een derde, Harm Taselaar van het RTL Nieuws, is 'in zijn algemeenheid bang dat de kwaliteit van de berichtgeving achteruitgaat'. En een vierde, Maria Henneman van Netwerk, denkt wel eens: 'Jongens, zijn we nou met zijn allen gek aan het worden? Doe eens een stapje terug, zeg! Kijk eens met wat meer distantie naar de dingen! We richten ons op personen, we vergroten die voortdurend uit, en we vergeten de context. We zijn meer bezig met de effecten van de berichtgeving dan met de berichtgeving zelf. We maken het spannender dan het is en we denken weinig na over de gevolgen daarvan.'

Om kort te gaan: geen mens kan volhouden dat de pers geen kritiek op de pers duldt. Op dagen dat de ene radiorubriek achter de andere televisiezender aanholt en het ene weekblad achter de andere ochtendkrant, allemaal op zoek naar dezelfde hoofdschuldige in hetzelfde schandaaltje, wil een hoofdredacteur wel eens het wijze hoofd schudden en denken: dames, heren, waar zijn we toch mee bezig? Je helemaal aan 'dat hypegedoe' onttrekken, kan je niet, zegt Frits van Exter: 'Ik heb toch al vaak het gevoel dat Trouw het braafste jongetje van de klas is.'

Maar echt lekker zit het niemand.

Enkelvoudig monster

Op de dag dat ik Pieter Broertjes spreek, staat er in zijn Volkskrant een boze brief van premier Balkenende die de staf breekt over het cynisme van columnist Jan Mulder. Het was, zegt Broertjes, alsof hij middenin een orkaan stond, gek is hij ervan geworden. De hele ochtend heeft hij aan de telefoon gezeten. Van het ANP tot het Radio 1-journaal en van Nova tot Twee Vandaag heeft hij ze allemaal aan de lijn gehad. Allemaal met dezelfde vraag. Wanneer gaat u Jan Mulder ontslaan? En wilt u dat alstublieft bij ons komen vertellen?

Pieter Broertjes: 'Ik was en ik ben helemaal niet van plan om Mulder te ontslaan. Het was hún idee, zíj dachten, dat wordt de volgende stap. Leuk, hebben we weer met zijn allen 24 uur plezier. Blijkbaar wilden ze dat ik zoiets zou zeggen als, nou, die jongen hangt bij ons aan een zijden draadje. Ze waren er niet op uit om te horen wat er precies gebeurd is, ze waren er op uit om de opwinding nog een paar dagen te rekken. Dat soort hypes, ik ben bang dat die wel toenemen. De pers in Nederland is, geloof ik, een beetje op drift.'

Het is waar: elke ochtend en elke avond spellen redacties van radio- en televisieprogramma's en concurrerende geschreven media de ochtend- en de avondkranten, op zoek naar nieuw emotierijk voedsel. Niet veel later staan ze elkaar allemaal met camera, microfoon of opschrijfboekje te verdringen op de plek waar een ontvoerd meisje aan haar ouders wordt teruggegeven. Ook storten ze zich gezamenlijk met grote hartstocht op een wethouder die naar de hoeren geweest is of op de hoogste ambtenaar van Justitie die het met minderjarige jongetjes gedaan zou hebben. Te talrijk zijn de gevallen waarin de verschillende media de krachten bundelen en hun pijlen op een en hetzelfde doel richten. Dan neemt 'de media' inderdaad de gedaante aan van een enkelvoudig monster.

Weinig verheffend, zeker, maar daar gaat het in dit artikel niet in de eerste plaats om. Het gaat om iets veel ergers: de persvijandige houding die er aan het groeien is op departementen en in gemeentehuizen, bij het openbaar ministerie en bij volksvertegenwoordigende organen, bij provinciale bestuurders en uitkeringsinstanties, om kort te gaan, bij het Nederlandse openbaar bestuur in de breedste zin van het woord. Het kan, vinden steeds meer bestuurders, in Nederland ook, en misschien wel beter, zonder de vrije leugenpers. In bestuurderskringen is de gedachte gemeengoed aan het worden dat 'de media' verworden zijn tot een pain in the ass.

Zorgelijke kwestie

Een middag in de werkkamer van Jacques Wallage, burgemeester van Groningen. Hij heeft zich terdege op het gesprek voorbereid. Het gaat, vindt hij, om een hoogst belangrijke en zorgelijke kwestie: het feit dat wat er in het kabinet of in zijn eigen college van burgemeester en wethouders wordt besproken minder betekenis heeft gekregen, terwijl de weerslag daarvan in de publiciteit de eigenlijke realiteit is geworden. In zijn Haagse jaren, zegt hij, heeft hij gemerkt dat je als minister of staatssecretaris heel intensief met hele serieuze vraagstukken bezig kunt zijn, maar dat de publiciteit er dan plotseling een hele andere kant mee opschiet. Zijn bestuur moet moeilijke keuzes maken vanwege de nieuwe wetgeving rond de sociale zekerheid: subsidies aan arme mensen afschaffen of ophouden mensen aan het werk te helpen? 'Een duivels dilemma. Heeft de pers geen belangsteling voor.' Lelijke bezuinigingen voor gehandicapten die het bestuur inhoudelijk nauwkeurig moet afwegen? 'Heel moeilijk. Heeft de pers geen boodschap aan.'

Zo bepaalt de pers, impliceert hij, wat wél belangrijk is en wat niet. 'Aan moeilijke vragen komt de pers niet toe, maar voor een vraagstuk als 'Het Wilhelmus is van mij' ruimen ook de betere kranten twee hele pagina's in!'

Wallage zegt dat hij het wel eens aan Wim Kok gevraagd heeft, toen die in Groningen bij hem op bezoek was. 'Wim, heb je het druk?' 'Ach, druk', antwoordde Kok, 'nou nee, ik ben eindeloos met de bonnetjes van Bram Peper bezig.' Die beheersten in die dagen de televisie en de kranten. Kok en hijzelf, zegt Wallage, waren in die tijd allebei lijstjesfreaks. 'Dan had ik zo'n klein kaartje bij me met zeven of acht punten daarop en Wim Kok had ook zo'n kaartje met acht of tien punten. Bijna al die punten bestonden uit kwesties waarmee de media ons van het werk hielden. Het vervelende was dat de achterkant van die kaartjes, waar de grote dingen op hadden moeten staan, meestal leeg was.'

In de politiek, wil hij maar zeggen, heeft ideologie plaatsgemaakt voor de zorg om het imago. En daar gaat de vrije pers over.

Deze en dergelijke ervaringen hebben Wallage tot de overtuiging gebracht dat de overheid, als het moet buiten de pers om, veel directer de communicatie met de eigen burgers zou moeten aangaan. Via internet, via eigen bladen, via hoe en wat dan ook. 'We moeten', zegt hij, 'veel minder afhankelijk zijn van wat de pers wel of niet als nieuws ziet. Dat vereist een compleet andere omgang met de overheidsinformatie. Niet langer het toefje slagroom aan het einde van het beleidsproces, maar van het begin af aan een wezenlijk onderdeel daarvan.'

Vandaar dat halve miljard extra voor de overheidscommunicatie.

Jacques Wallage ziet zijn gedachten hieromtrent als redmiddel tegen de uitholling overdwars van de democratie. Nu de commercialisering bij de kranten heeft toegeslagen en de ontideologisering in de politiek, moeten beide een nieuwe vorm van professionele authenticiteit vinden. Wallage vindt dat alle overheidsinstanties de plicht hebben om alle informatie te allen tijde aan de burger te verstrekken. En hij gelooft oprecht dat de overheid zich belangeloos en zonder manipulatie van die taak zal kwijten. Alleen op die manier, denkt hij, kan de overheid het contact met de burger herstellen dat nu, onder andere door de tekortkomingen van de vrije pers, verloren gegaan is. Die noemt dingen nieuws die in zijn ogen banaal zijn. Die let minder op de ideeën van de bestuurder dan op de toevallige pukkel op zijn neus. Die is, meer in het algemeen, 'een geweldige belemmering, een enorme barrière voor de bestuurder om dingen tot stand te brengen'. Die houdt, kortom, de burger ongeïnteresseerd en cynisch: de grootste bedreiging voor het voortbestaan van de Nederlandse democratie.

Wonderlijk genoeg vinden de denkbeelden van Jacques Wallage een goedgelijkend spiegelbeeld in de zwartgallige publicatie waarmee de befaamde Engelse journalist John Lloyd van de Financial Times onlangs zijn collega's de wind van voren gaf. Volgens hem is de pers voor een groot deel verantwoordelijk voor wat hij 'de sociale malaise' in zijn land noemt.

Uitgaande van de cause célèbre rond de bbc-verslaggever Andrew Gilligan, die de regering-Blair ten onrechte verweet dat ze de Iraakse dreiging 'opgesekst' heeft, noemt Lloyd de Britse media ronduit 'een bedreiging voor de democratie'. Een reporter als Gilligan leeft volgens hem in een 'cynisch universum' waarin een regering a priori uit een bende leugenaars bestaat, waarin politici als een gedegenereerd soort mensen gezien worden en waarin agressie de plaats heeft ingenomen van gedegen onderzoek. In Lloyds ogen kennen zijn collega's geen manieren, hebben ze geen respect voor andermans privacy, rennen ze van de ene gruwelgeschiedenis naar het andere schandaal, en dragen ze er weinig of niets toe bij dat we onze wereld een beetje beter leren begrijpen. Politici, schrijft hij, moeten eindelijk eens ophouden om aan de slechte mediapraktijken mee te doen.

Zo, zullen bestuurders ook in Nederland hierop zeggen, nu hoor je het eens van een ander.

Gruwelkabinet

Is het inderdaad zo erg met de pers gesteld? Of spelen er, in het verstoorde contact met de overheid, ook andere factoren een rol waar 'de media' minder de schuld van zijn en eerder de dupe?

Ik vraag de vijf bestuurders waar ze meer de schurft aan hebben, aan erg slechte journalistiek, of aan erg goede journalistiek. Ze moeten allemaal, sommigen licht besmuikt, om die vraag lachen. Natuurlijk, aan slechte journalistiek erger je je dood. Maar goede journalistiek, ja, daar kan je echt hinder van hebben.

Dezelfde vraag stel ik aan de zes hoofdredacteuren. Ze lachen er niet om, maar ze komen stuk voor stuk met ervaringen uit het gruwelkabinet van overheidsonwil en regelrechte tegenwerking. Hetzelfde openbaar bestuur dat zich met recht en reden zorgen maakt over de slechte journalistiek, laat weinig na om de goede journalistiek het leven zuur te maken.

Folkert Jensma (NRC Handelsblad) zegt dat er voor zijn redacteuren vrijwel geen rechtstreeks contact meer mogelijk is met een overheidsdienaar: 'We zien nooit meer een ambtenaar die met een probleem worstelt. We horen van zijn voorlichter dat het wel meevalt. Je ziet nooit meer een afwegingsproces. Je krijgt een gepasteuriseerd, keurig ingepakt communicatieproduct in vierkleurendruk. Als journalist worden we uit onze rol gedrukt. We mogen opschrijven wat het openbaar bestuur wenselijk vindt. Dát maakt ons afstandelijk en cynisch.'

Op het moment dat ik Jensma spreek is verslaggever Joost Oranje bezig met een artikel over de Nederlandse besluitvorming rond de deelname aan de Irak-oorlog. Folkert Jensma: 'Via het apparaat van de minister krijgen we te horen dat er geen enkel stuk meer naar de NRC mag! Wat we na lang aandringen en met de Wet Openbaarheid van Bestuur (wob) in de hand loskrijgen, is soms, op één zin per pagina na, van onder tot boven zwart geschilderd. Tot in het ridicule aan toe krijgen we geen inzicht in wat er aan die besluitvorming ten grondslag heeft gelegen. De overheid die niets liever wil dan ons vertellen wie men is, wat men doet en waarmee men worstelt? Prachtig! Alleen, er is niets van waar.'

Zijn collega-hoofdredacteuren rollen over elkaar heen met soortgelijke ervaringen. Pieter Broertjes (de Volkskrant) zegt dat het hem enorm irriteert dat zijn krant eenvoudig geen interview meer krijgt met een minister als Verdonk of met een vooraanstaand politicus als Van Aartsen - ja, op het moment dat het hún uitkomt. 'Gekker moet het toch niet worden. We krijgen dat interview gewoon niet!'

Ook Rimmer Mulder (Leeuwarder Courant) schudt het nieuwsgarende hoofd: 'Als ik het op een rijtje zet, ja, dan word ik toch wel vaak benaderd met het verzoek, alsjeblieft jongen, schrijf daar nou niet over. Wacht nou maar tot het volgens ons rijp is voor publicatie.' Zijn krant heeft het financiële Thialfdebacle aan het licht gebracht en het wanbestuur bij de afvalverwerking ontrafeld, en het industrieterrein aan de kaak gesteld dat werd aangelegd met Europese subsidies die niet klopten. Rimmer Mulder: 'Dan krijg ik te horen, jongens, dit is toch ook voor jullie belangrijk, denk aan de werkgelegenheid, denk aan je boterham. Ze snappen niet dat ik hier zit om dingen in de krant te krijgen en niet om ze eruit te houden.'

En Maria Henneman (Netwerk) zegt dat het voor haar redacteuren makkelijker is om een buitenlandse ambassadeur te spreken te krijgen dan een Nederlandse minister: 'Wij zijn in hun ogen de lastige vlieg die de broedende kip stoort.' Wil een Netwerk-redacteur stukken van de overheid inzien, dan moet hij of zij daar erg zijn best voor doen, bedelen eigenlijk. 'Vanzelf gaat het nooit.' En als je een beroep doet op de wob, krijg je de gevraagde stukken nooit, tenzij je in hoger beroep gaat. Maria Henneman: 'Op de wob-cursus voor onze redacteuren is dat het eerste wat ze aangeleerd krijgen. Altijd in hoger beroep gaan! De ambtenaren van de wob zeggen in eerste instantie hoe dan ook nee. Negen van de tien journalisten gaan toch niet in hoger beroep. Die houding alleen al!'

Professionalisering

Nee, onder een overdreven groot vertrouwen dat het met Wallage's zucht naar een open en eerlijk bestuur allemaal vanzelf wel goed komt, gaan de hoofdredacteuren niet gebukt. Wallage's aanbevelingen hebben er mogelijk toe geleid dat de burger in zijn brievenbus of via internet op zijn computer makkelijker kan vinden wat de overheid kwijt wil. Maar dat aan de pers niets wordt prijsgegeven wat de overheid binnenskamers wil houden.

Jacques Wallage is er zelf ook niet helemaal gerust op. Inderdaad, zegt hij, de departementen hebben dankbaar van zijn aanbe- velingen gebruikgemaakt om hun informatievoorziening nóg beter te stroomlijnen.

En dat is precies waar het om gaat.

Het sleutelwoord is professionalisering. Sinds de overheid 'bedrijfsmatig' is gaan werken, neemt de overheidsvoorlichting een centrale plaats in bij de beleidsvorming. En dan niet, zoals Wallage het zegt te willen, als bijdrage aan de democratie, maar wel als voorwaarde voor het zo ongehinderd mogelijk realiseren van de eigen plannen. In dat proces dient elk risico zo veel mogelijk te worden uitgebannen.

En het grootste risico is de onafhankelijke pers.

Mirjam Prenger en Frank van Vree hebben, op gezag van mediaonderzoeker Kees Brants, in hun onderzoek Schuivende grenzen uitgerekend dat er aan het Binnenhof alleen al meer dan tweehonderd persvoorlichters rondlopen die zich bezighouden met 'het managen van het opiniërings- en besluitvormingsproces'. Volgens Prenger en Van Vree zijn er in dit land op 13.000 journalisten 15.000 voorlichters, spindokters en communicatiedeskundigen actief. Het lijkt de roomse kerk wel, met voor elke ziel een engelbewaarder.

Om kort te gaan: voor de moderne, professionele overheid die haar communicatie professioneel in eigen hand wil houden, is de vrije en onafhankelijke pers een onberekenbare, niet te plannen factor die je het beste in de hand houdt door er zo min mogelijk mee van doen te krijgen. Er zijn al ministers die zich liever op internet door hun eigen voorlichter laten interviewen dan in Buitenhof door Paul Witteman, Rob Trip of Peter van Ingen.

Natuurlijk wijzen de hoofdredacteuren op grote kwesties als de bouwfraude die dankzij Zembla aan het licht is gekomen en niet dankzij de onbelemmerde informatiedrang van de overheid zelf. En natuurlijk is het, geven vriend en vijand toe, niet zo dat het bestaan van de Wet Openbaarheid van Bestuur ervoor gezorgd heeft dat het Bestuur Openbaar is.

O zeker, de hoofdredacteuren die ik sprak schamen zich lichtelijk voor de minder aangename trekjes die hun vak zijn ingeslopen en die ze maar moeilijk met hun vaktrots kunnen verenigen. De enorme uitvergroting van het schandelijke detail. De eindeloze herhaling van telkens hetzelfde ontluisterende beeld. En het hype-achtige nakakelen van elkaars weinig overtuigende vondsten.

Maar wat hun meer zorgen baart is de gedeelde ervaring dat de overheid, onder het mom van de slechte journalistiek te kapittelen, de normale journalistiek niet langer ter wille is en de goede journalistiek buitenspel probeert te zetten. Het leger voorlichtende mooipraters dat daartoe in dienst is genomen, breidt zich net zo sterk uit als de pers moet inkrimpen.

Bron voor oorlog

De scherpste aanval op het functioneren van de vrije pers kwam, op 3 mei jongstleden, uit de mond van Piet Hein Donner, minister van Justitie en geestelijk vader van het kabinet-Balkenende. Voor een gehoor van feestende journalisten die de 120ste verjaardag van hun vakvereniging vierden, liet hij weinig heel van hun broodwinning. Dames en heren van de pers, zei hij met precieze stem, uw berichtgeving schept een eigen wereld die de echte wereld verdringt. U breekt reputaties.

U maakt levens kapot. U bent een bron voor onrust en oorlog.

Een toenemend deel van het werk van de overheid, zei de bewindsman, bestaat in het rechtzetten van wat verslaggevers eerder uit hun verband gerukt hebben, in het uitleggen waar de klepel hangt bij krantenberichten die de klok hebben horen luiden. Dames en heren! Uw dagelijkse arbeid 'veroorzaakt achterdocht, onnodige geschillen en toenemende tegenstellingen in de samenleving, waardoor de solidariteit verzwakt, angst en onzekerheid groeien, en sturing door de overheid steeds moeilijker wordt.'

De aanwezige journalisten bleven beleefd luisteren.

'Ik besef ook wel', vervolgde Piet Hein Donner, 'emotie, ruzie, schrille verhalen over de gevaren van criminaliteit en terrorisme, het voortdurend aan de kaak stellen van het onvermogen van overheden: het verkoopt zo lekker en het gaat erin als koek. Maar weet wel, waar angst en achterdocht zich vastzetten in de samenleving, daar vallen de vrijheden het eerste ten slachtoffer.'

De persvrijheid, concludeerde de feestredenaar, wordt niet bedreigd door een gebrek aan vrijheid, maar door een teveel aan vrijheid, waar u, dames en heren van de pers, zo'n onverantwoord misbruik van maakt.

Harm Taselaar, hoofdredacteur van het RTL Nieuws, in zijn nieuwe onderkomen op het Hilversumse omroepterrein:

'Het zou toch wat zijn, zeg, als we alle incidenten en alle ruzies, als we daar maar niets mee zouden doen! Dat is toch te belachelijk voor woorden. Als het gezag, waar wij altijd de natuurlijke vijand van zijn, steken laat vallen en wij publiceren daarover, ja, dat zal dan het gezag wel ondermijnen. Ik denk, zorg dan dat het gezag beter is. Het is toch onzin allemaal. Zo'n man als Donner, eigenlijk zegt hij, het ligt nooit aan ons, het ligt altijd aan jullie. En dan zijn er nog journalisten die daarvoor klappen ook! Hoe kan je je als beroepsgroep zo laten slachten. Als wij normaal ons werk doen en als we zeggen, hé, dat klopt niet, dan roept Donner dat we zijn gezag ondermijnen. Ja, dat klopt, mijnheer Donner. Daar zijn wij voor. En jij bent ervoor om te zorgen dat je beleid beter is.'

'Het wordt allemaal zo ongelofelijk gemanipuleerd en in de hand gehouden tegenwoordig, gestoord word ik ervan. Vroeger kon je nog wel eens een dag met de minister mee, je ging op de achterbank van zijn dienstauto zitten en je volgde zo iemand. Kansloos geworden. Er is een heel apparaat tegenaan geplakt om alles te dempen. Wordt de burger daardoor beter geïnformeerd? Nee, de burger krijgt meer eenzijdige informatie.

'Soms moet ik echt gaan dreigen, willen we informatie krijgen. Neem die dure verbouwing van het uwv-kantoor in Amsterdam waar wij over bericht hebben. Wat een moeite we daarvoor hebben moeten doen! Ik vrees dat we de wet hebben moeten overtreden om erachter te komen wat er nou precies gebeurd is. Het werd gewoon glashard ontkend! De overheid heeft de mond vol van transparantie, ook zo'n modewoord. De praktijk is dat zo'n voorlichtingsapparaat dat alsmaar aandikt, alles alleen maar minder transparant maakt. Nee hoor! Dat krijgt u niet. Of dat zeggen we niet. Of dat is ons niet bekend. Afhouden, afhouden, afhouden. Bang dat het negatief naar buiten komt. Natuurlijk komt het negatief naar buiten, want het deugt niet.

'Ik probeer mijn redacteuren juist op te jutten. Ik hou ze voor: dat overheidsapparaat, dat is er voor ons. Het gaat wel van jouw en mijn centen. Dat apparaat is in Nederland een staat in de staat geworden. Zo gauw ik merk dat deze redactie timide wordt, is het tijd voor mij om in actie te komen. Kom op, zeg! Misschien ben ik te fel, hoor. Maar ik meen het tot in het diepst van mijn ziel.'

Ambtelijk dédain

In zijn Friese hoofdkantoor legt Rimmer Mulder, de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant, zijn vinger op de wonde plek. 'Toen Wallage met dat communicatierapport van hem bezig was, kwam ik een keer bij hem thuis. Hij had een paar hoofdredacteuren uitgenodigd om erover te praten. Je weet hoe dat gaat, het wordt gezellig en toen zei Wallage: 'Jullie hebben er geen idee van met hoeveel dédain er door de hogere Haagse ambtenaren over de pers wordt gesproken.' Ik reed naar huis en ik dacht, dat is toch wel onthutsend.

'Ik heb ook wel eens burgemeesters mogen toespreken en dan hoor je hetzelfde. Een groot misnoegen over de media. Ik heb toen tegen ze gezegd, ik begrijp het wel. Zo'n gemeenteraad hebben jullie in je zak, dat zijn amateurs. Aan het ambtenarenapparaat hebben jullie geen kind. Op sleutelposities heb je mensen zitten die doen wat jullie willen. Je hebt een uitgebreid voorlichtingsapparaat achter de hand. En dan komt er iemand van de krant of van de omroep en die trekt zich daar niets van aan! Die schrijft wat hij zelf wil. Daar kunnen jullie niet tegen, dat vinden jullie naar. Loek Hermans ook, die leed daar echt onder. Ook zo'n bestuurder die alles geregeld heeft en dan komt er zo'n krant en die schrijft, dat zegt hij nou wel, maar dat is helemaal niet waar. Jullie vinden het best, zei ik tegen die burgemeesters, als we jullie persberichtjes trouwhartig overschrijven. Maar dat we soms ook de andere partij bellen, dat vinden jullie hinderlijk.

'Het komt allemaal doordat het bestuur zoveel technischer is geworden. Er kan niks gebeuren of er moet een communicatieplan aanhangen. Besturen is tegenwoordig een proces dat gemanaged moet worden, tot en met de informatievoorziening aan toe. In het belang van de burger? Dat betwijfel ik. Ik weet wel zeker dat dat niet zo is. Ik vind het tamelijk eng, eerlijk gezegd. Zo'n Donner, ik denk dat hij het liefste aan het einde van de vergadering eigenhandig het verslag aan de pers zou willen uitdelen.'

Misschien zegt de neerbuigende kijk van bestuurder op de pers vooral veel over hun eigen, in zichzelf besloten, wereld. Hans Adriaansens, voorzitter van de Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling, heeft gemerkt dat de moderne bestuurder met niet minder superieure minachting tegen wetenschapsbeoefenaren, adviesraden en gekozen volksvertegenwoordigers aankijkt. De laatsten kunnen in hun ogen 's ochtends geen krant openslaan of ze stellen er 's middags een vraag over aan hun toch al zo overbelaste minister.

Want dat is de keerzijde van de bestuurlijke kritiek op de pers: dat de gekozen volksvertegenwoordiger, of hij nu in het parlement zit, in een der provinciale staten of in een gemeenteraad, maar al te graag op de loop gaat met wat de pers, al dan niet terecht, aan het licht brengt. Als dagblad Trouw een boekje vindt dat nare islamwijsheden bevat, dan roepen Kamerleden een uur later dat er moskeeën gesloten en boekjes verboden moeten worden. En dan mengt premier Balken- ende zich twee uur later verontrust en daadkrachtig in hetzelfde koor. En als een wethouder tegen een columniste vertelt dat hij naar de hoeren geweest is, dan vindt diens PvdA-gemeenteraadsfractie zijn positie drie dagen later 'onhoudbaar'.

Moeten volksvertegenwoordigers en moeten ministers, zoals John Lloyd van de Financial Times wil en zoals ook de Raad voor het Openbaar Bestuur bepleit, minder gaan dansen naar het pijpen van 'de media'? Het zou er, vermoed ik, wel toe bijdragen dat het verschijnsel hype een wat minder epidemisch karakter krijgt.

Hype

Rob Oudkerk, ex-wethouder van Amsterdam, die hoeren bezocht en deswege recentelijk de hoofdpersoon was in een media-hype, herkent het dédain waarmee bestuurders in eigen kring over de pers spreken. 'Tijdens elke vergadering van het college van burgemeester en wethouders waar ik bij zat', zegt hij, 'waren er wel een paar, waaronder ik zelf, die buitengewoon laatdunkend spraken over wat meneer x die week had geschreven of over wat meneer y dat weekend in Buitenhof had uitgezonden. Eigenlijk werd er iedere dag wel over de pers geklaagd.

'Het ergert iedereen, mij ook, dat feiten en meningen totaal door elkaar heen zijn gaan lopen. Vooral in Het Parool en de Volkskrant, die zijn één grote column geworden. Ik heb burgemeester Cohen wel eens net zo ongenuanceerd over journalisten gehoord als ik kan zijn. Als hij weer eens geafficheerd werd als iemand die alleen maar in de moskee thee zit te drinken. Altijd hetzelfde, ze praten elkaar allemaal na.

'Oké, slechte zaak, maar ik zou het nog slechter vinden als het bestuur, omdat het ze irriteert, regels gaat opstellen. Die regels zijn allemaal al gemaakt in Nederland. Je mag niet liegen, enzovoorts. Daar hoef je de pers niet aan te herinneren. Als Eric van Gruijthuijsen van Het Parool tegen mij gezegd had, Rob, ik zet die column van Heleen van Royen op de voorpagina, we zijn zelfstandig geworden, we moeten verkopen, dit is een scoop, 10.000 exemplaren méér in de losse verkoop, dan vind ik hem nog steeds een eikel, maar dan denk ik, ja, dat begrijp ik, commercieel gezien. Maar dat het slecht is, hoef ik hem niet uit te leggen. Dat weet hij en dat weet de hele pers donders goed.

'Misschien ga ik nog wel eens tot de pers behoren. Mijn grondhouding zou dan zijn, vertrouwen tot het tegendeel is bewezen. De grondhouding waar ik mee te maken kreeg, was: wantrouwen en cynisme. Als ik een persconferentie gaf, dan stuwde het wantrouwen van het eerste ogenblik af om me heen. Het zal wel niet kloppen. Het zal wel niet deugen wat die lul daar zegt.

'Bestuurders hebben grote angst voor imagobeschadiging. Na cynisme en wantrouwen is angst de derde slechte raadgever. Als huisarts zou ik zeggen: allemaal pathogene, kankerverwekkende factoren. Het is waar, binnen een dag kan het draaien, zodat er niets meer van je over is. Er is een enorme angst om je mond voorbij te praten.

'Die kwestie van mij, die heeft Het Parool een week lang in de lucht gehouden. Daar is over nagedacht, dat hebben ze heel zorgvuldig gedaan. Een week lang hebben ze die zaak gerekt. Ik heb het zelf aan Tom Egbers en Heleen van Royen zitten vertellen,

stom, maar dat zij het heeft opgeschreven - zogenaamd als journaliste - wat een buitengewoon miserabel kreng is ze. Zoiets doe je niet.

'Nee, ik ben er niet optimistisch over. Het bestuur wapent zich. Tijdens de Bijlmer-enquête heb ik gezien hoe erg. God, wat hebben we een tegenwerking gekregen van de departementen! Je wordt er zo paranoïde van als een deur. Verkeer en Waterstaat heeft ons de gevraagde dossiers pas op het allerlaatst gegeven, terwijl ze al maanden klaarlagen. Dan begrijp ik de journalist wel die iets te weten wil komen. Het is echt aan twee kanten vreselijk. Niemand vertrouwt iemand meer.'

Ongemakkelijk

Ja, er is onmiskenbaar iets nieuws, iets ongemakkelijks geslopen in de omgang tussen de pers en de overheid: ze verstaan elkaar niet meer. Volkskrant-hoofdredacteur Pieter Broertjes spreekt van een 'herschikking van posities'. De post-Fortuynistische boosheid van lezers en kijkers treft de media niet minder dan de politiek en vraagt van beide een nieuw antwoord. De vroegere al te nauwe verbondenheid tussen media en politici, zegt hij, is bijna 180 graden omgedraaid. Zijn eigen Volkskrant kon nog niet zo heel lang geleden een rol spelen bij de totstandkoming van het eerste Paarse kabinet. In die dagen speelden pers- en partijman niet zelden onder één hoedje om de christenen eindelijk eens te leren wat oppositievoeren is. Die tijd, zegt Broertjes, is voorbij. Alle kranten zijn veel meer een eigen positie gaan innemen. 'En naarmate ze dat sterker doen, ontstaat er een grotere waterscheiding. Wij van de pers hier. Zij van de politiek daar. We zijn niet langer één grote gezellige familie.'

Sindsdien is er veel meer ruimte voor kritiek. Donner, zegt Broertjes, is daar een extreem voorbeeld van. Het komt erop neer dat de percepties van pers en politiek niet meer parallel lopen. Een mooi voorbeeld: het interview in de Nieuwe Revu waarover mevrouw Nijs is gevallen, omdat ze haar minister van Onderwijs van onder uit de zak gaf. Pieter Broertjes: 'In onze beleving hebben de interviewers uitstekende journalistiek bedreven. In de beleving van het bestuur hebben ze een vals beeld geschapen. Ze hebben mevrouw in het mes laten lopen. Wij spreken van vakwerk, en zij spreekt van een slechte ervaring, die onmiddellijk op de hele pers terugslaat. Ze schrijven toch niet op wat je wilt. Die twee percepties krijg je niet makkelijk meer bij elkaar, hoor. Alleen, wat ons bedreigt is dat de ene partij, de bestuurlijke partij, gaat zeggen: dit soort ervaringen, zie je wel, de media, daar lopen zulke onbetrouwbare figuren rond, je hebt er niks aan. En dus gaan ze zich voor ons afsluiten. Ik vind dat groot onrecht.'

NRC-collega Folkert Jensma vertelt dat hij enige tijd terug met zijn Haagse redactie een etentje had waarbij ook ex-minister Klaas de Vries aanzat. 'Die fulmineerde tegen onze onderzoeksjournalistiek. Volgens hem probeerden we daarmee de relevante politieke agenda uit de krant te houden om daar onze eigen prioriteiten voor in de plaats te stellen. Dat vond hij niet de functie van een krant. Een krant moet volgend zijn, een krant moet niet onthullend zijn. Ik vond dat hoogst opmerkelijk. Ik denk dat veel bestuurders zo denken. Ik heb wel eens het gevoel dat ze kranten ten onrechte tot de publieke sector rekenen, een soort gedrukte publieke omroepen en net als de Hilversumse omroep, een verlengstuk van Den Haag. Dat zijn wij niet. Wij zijn er voor iedereen. Maar wij zijn van niemand.'

Ook Frits van Exter ziet tot zijn genoegen dat de Haagse Trouw-redactie niet langer verweven is met het protestantse establishment. Volgens hem heeft de herschikking, waar collega Broertjes van spreekt, al plaatsgevonden en is het bestuur als winnaar uit de bus gekomen. Van Exter: 'Voor een interview met een minister of een politicus moet je tegenwoordig de meest verstrekkende afspraken vooraf maken. Bij Justitie is zelfs een mondelinge afspraak niet meer voldoende, daar moet het schriftelijk en in een contract. Ze willen allemaal greep houden op het uiteindelijke stuk, ze willen het laatste woord over een publicatie. Daar doen wij dus niet aan mee. Dan maar geen interview. Wanneer lees je nu nog een algemeen interview met een politicus? Zoals Bibeb ze vroeger voor Vrij Nederland maakte, dat zie je nauwelijks meer. Het moet altijd een beetje een single issue-gesprek zijn, zodat niemand zich een buil hoeft te vallen. De andere partij wil sterkere controle, strengere spelregels en dat maakt de journalistiek afhankelijker. De opportuniteit ligt helemaal aan hun kant. Wanneer een minister iets kwijt wil, zoekt hij er zelf een medium bij en dan bepaalt hij het moment van publicatie. De opportuniteit van de krant zelf is een ondergeschikt belang geworden.'

Van Exter: 'De sfeer, de stemming die Donner tegen de pers heeft opgeroepen, ik moet zeggen, die vind ik verontrustend. Het zijn grote woorden, ik weet het, maar het geloof in onze journalistieke missie, dat zou wel mogen worden opgevijzeld.'

Medialogica

Het gaat, schrijft de Adviesraad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling in haar rapport over de verhouding tussen overheid en pers, om een 'urgent' probleem.

Waarom urgent?

Dat vraag ik aan Hans Adriaansens, de voorzitter van de Raad.

Hij wijst op de vorige twee verkiezingen, en op het feit dat politici zich toen ondergeschikt gemaakt hebben aan wat hij 'de medialogica' noemt. Daarmee bedoelt hij het verschijnsel dat de opzet van het programma belangrijker is dan de boodschap van de stemmentrekkers.

Meteen daarop zegt hij dat het hem en de zijnen vooral gaat om de verantwoordingsstructuur van de vrije pers. Wie controleert de controleur?

Met enige verbazing heeft Hans Adriaansens de reacties uit de perswereld daarop beluisterd. In het kort kwamen die erop neer: dat doen wij zelf wel. 'Aardige paradox, eigenlijk', zegt Adriaansens. 'Ook hoofdredacteuren van overwegend progressieve kranten gingen zich een houding aanmeten die ze ernstig bekritiseerd zouden hebben als het gegaan zou zijn over, ik noem maar, medisch specialisten.' Waarom, vraagt Adriaansens zich af, zou de vrije pers een uitzondering moeten zijn? 'In de laatste tien, vijftien jaar is er bij vrijwel alle beroepsgroepen en in vrijwel alle domeinen een vorm ontstaan van publieke verantwoording. Als je de professionele vrijheid optimaal wenst te benutten, dan hoort daar ook het afleggen van verantwoording bij. Daar is geen enkele categorie van uitgezonderd.'

Hij ziet, zegt hij, tot zijn genoegen dat de vrije pers, via ombudsmannen en via wat al niet, al veel meer aan verantwoording doet dan voorheen.

En dus is zijn Raad en is, niet lang daarna, de Adviesraad voor het Openbaar Bestuur met een serie voorstellen gekomen om de vrije pers wél aan controle te onderwerpen. Er zouden geregelde visitaties moeten plaatsvinden bij de pers, controlepanels en publieke hoorzittingen zouden zich over de inhoud moeten kunnen uitspreken, een mediawatch-instituut zou de berichtgeving over hypes, schandalen en heikele thema's moeten onderzoeken, burgerbewegingen met klachten over de pers zouden subsidie moeten krijgen, er zou een apart voorportaal bij de rechter moeten komen voor klachten over de pers, en zo voort en zo verder. Een omvangrijk arsenaal aan methodieken om het vrije woord te disciplineren.

Het probleem is dat ten behoeve van die adviezen de ene partij, die van de journalisten, wel geraadpleegd is, maar dat ze uiteindelijk opgesteld zijn door de andere partij, die van de bestuurders. De verantwoordelijke raden zijn bemand met een overtal aan al dan niet actieve commissarissen van de koningin en dienstdoende burgemeesters. Ze gaan voorbij aan het feit dat, op de publieke omroep na, het vrije woord te Nederland buiten bezwaar van 's lands kas gesproken wordt. NRC Handelsblad is geen semi-overheidsinstituut. RTL4 draait niet op publieke centen. Dagblad Trouw is niet zoiets als misschien wel de beste volkshogeschool. Alle hoofdredacteuren die ik spreek zijn het met elkaar eens: journalisten zijn er niet sterk in om hun eigen fouten toe te geven. De Raad voor de Journalistiek zou veel krachtiger kunnen optreden. Burgers met klachten hoeven niet per se afgewimpeld te worden. Maar als er sprake moet zijn van regulering, dan toch van zelfregulering. Ze voelen er weinig of niets voor om eens per week, per maand of per jaar bezocht te worden door een controleteam namens dezelfde verongelijkte bestuurders die ook de laatste risicofactor in de holte van hun hand willen krijgen. De pers is niet van de regering. De pers is van de kijkers en de lezers. Die kunnen op de uitknop drukken. En die kunnen hun kwartaalgiro niet meer overmaken.

Uitsloven

De apotheose is een anticlimax. In het begin van deze zomer schreef Medy van der Laan, staatssecretaris voor Cultuur, een brief waarin ze uiteenzette wat het kabinet met de hartenkreten van minister Donner en met alle verstrekte adviezen gaat doen.

Vrijwel niets.

Wat meer geld om ervoor te zorgen dat de Raad voor de Journalistiek sneller tot een uitspraak kan komen. 160.000 euro die het Bedrijfsfonds voor de Pers voortaan niet zal uitkeren aan noodlijdende dag- en weekbladen maar aan een 'Nieuwsmonitor' die 'algemene tendensen' in de pers moet onderzoeken. En maar liefst 50.000 euro voor een 'Debatbureau' - ruim voldoende, dunkt mij, voor anderhalve parttime functionaris die publicaties gaat verzorgen over de 'publieke verantwoording' van de pers.

Er komt geen nieuwe regeringskrant en de regering gaat geen bakken zendtijd kopen, zoals de Raad voor het Openbaar Bestuur wilde. Er komt geen mediawatch-instituut en er komen geen persvisitaties en geen media-ombudsmannen, zoals de Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling wilde. Want het is, concludeert Medy van der Laan namens de regering, 'niet wenselijk om als overheid de journalistiek tot (zelf)regulering te dwingen'.

Een wijs woord.

En een laat inzicht.

En heel erg Nederlands bovendien: er is heel wat meer geld uitgegeven aan bestuurlijke adviezen om de vrije pers te ringeloren dan er uiteindelijk vrijgemaakt wordt om de daad bij het woord te voegen.

Burgemeester Ivo Opstelten heeft, de avond voor ons gesprek, de filippica van minister Donner tegen de pers nog eens overgelezen. Hij zegt dat hij de tirade een knap stuk werk vindt, helemaal de oude Anti-Revolutionaire Partij. Maar dat hij het met Donner absoluut niet eens is. 'Die stijl, nee, absoluut niet, dat krampachtige, nee. Er klinkt duidelijk in door: de burger informeren, laat dat maar aan ons over, dat doen wij zelf beter. Wacht nou maar gewoon tot wij iets gaan vertellen. Zelfstandig onderzoek van de media stelt hij blijkbaar niet erg op prijs, terwijl dat natuurlijk een wezenstaak is van de journalist. Dingen aan de kaak stellen die aan de kaak gesteld moeten worden. Donner zegt eigenlijk: laat mij mijn werk nou doen, van tijd tot tijd dien ik een wetsontwerp in en dan mogen er bij de Kamerbehandeling best wat vragen gesteld worden.'

Ivo Opstelten vindt ook niet dat een premier zich moet uitlaten over parodie of over een cabaretier, of dat hij brieven moet gaan schrijven aan een columnist. 'Ik gun het de premier, maar dat is toch een kwestie van persoonlijke smaak? Als bestuurder moet je weten dat jouw persoonlijke smaak niet altijd relevant is. Ik moet af en toe ook wel iets inslikken.'

De Rotterdamse burgemeester herkent wel iets in Donners kritiek. Al die punten worden in zijn omgeving ook geregeld besproken, dat is zo, je moet ook eerlijk zijn in het leven. Dat kranten elkaar nakakelen, zint hem ook niet. Maar dat de pers niet integer zou zijn? 'Dat gevoel heb ik helemaal niet. Ik vind helemaal niet dat we in een land leven waar de kwaliteit van de media achteruitgaat. Hoor en wederhoor passen de meeste journalisten echt wel toe. En als ze dat niet doen, hebben we gewoon bonje.'

De pers is machtig, zegt Ivo Opstelten, zeker. Ze kan een persoon het functioneren onmogelijk maken. 'Maar ik vind dat de Nederlandse media, als je dat met het buitenland vergelijkt, heel redelijk met hun verantwoordelijkheid omgaan'. M

Gerard van Westerloo is journalist. Hij schrijft regelmatig voor M.

Rhonald van Blommestijn is illustrator.

Bram Budel is fotograaf.

[streamers]

Het kan, vinden steeds meer bestuurders, in Nederland ook zonder de vrije leugenpers.

'Wim, heb je het druk?', vroeg Jacques Wallage, burgemeester van Groningen. 'Ach, druk', ant woordde Kok, 'nou nee, ik ben eindeloos met de bonnetjes van Bram Peper bezig.'

'Die kwestie van mij, die heeft Het Parool een week lang in de lucht gehouden. Daar is over nagedacht, dat hebben ze heel zorgvuldig gedaan. Een week lang hebben ze die zaak gerekt', zegt Rob Oudkerk.

'De sfeer, de stemming die Donner tegen de pers heeft opgeroepen, vind ik verontrustend.'

De pers is niet van de regering, maar van de kijkers en de lezers. Die kunnen op de uitknop drukken.

    • Gerard van Westerloo