Mijn moeder is zelfs na haar dood niet gelukkig

Ik rijd naar Schiphol. Naast me zit mijn vrouw en op de achterbank mijn oudste zoon, met de ogen dicht. Ik voel zijn onrust. Hij heeft een trauma overgehouden aan mijn plotselinge vlucht van drieëntwintig jaar geleden, toen hij een paar jaar oud was en achterbleef in Bagdad.

,,Pa, als je naar Bagdad gaat en er iets met je gebeurt, ga ik daar ook heen en bedenk zelf maar hoe dat afloopt.''

Ik schrok natuurlijk toen ik hem dat twee weken geleden hoorde zeggen. Maar we hebben een compromis bereikt: ik ga naar Irak, maar blijf in Koerdisch gebied. Het is twaalf jaar geleden dat ik daar voor het laatst ben geweest.

In de lange rij wachtenden voor de incheckbalie herken ik bijna iedereen. Een oude kennis komt op me af. Hij heeft zijn snor laten staan.

,,Die snor lijkt niet van lang geleden'', zeg ik.

,,Als ik mijn snor laat staan, weten mijn collega's dat ik binnen twee weken naar Koerdistan ga.''

,,Waarom ga je niet zonder snor?''

,,Aanpassen. We moeten ons overal aanpassen, ons hele leven al.''

Mijn reisgenoten hebben eten en drinken meegenomen uit Nederland, genoeg voor de tweedaagse reis. Ze willen onderweg de ,,Turkse economie niet stimuleren''. Op de luchthaven van Istanbul gaat niemand naar een café.

Op de luchthaven van Diyarbakir, de hoofdstad van Turks Koerdistan, stromen na elke landing taxichauffeurs toe. Een rit van ruim 300 kilometer naar de (Iraakse) grens kost tussen 100 en 120 Amerikaanse dollars. Samen met twee dubbele landgenoten – Nederlandse Koerden – neem ik een taxi voor 40 dollar per persoon. Tientallen kilometers rijden we langs het prikkeldraad en de mijnenvelden die het Koerdisch gebied dwars door het hart snijden. De ene kant heet Turkije en de andere kant Syrië. Het is een van de armoedigste gebieden van beide landen. Als we voorbij Mardin rijden, komen beelden van Koerdische vluchtelingen in tenten naar boven. Ik zie de oom van mijn vrouw met zijn gezin voor een tent staan smeken: ,,Haal ons uit deze hel''. In die tentenkampen hebben Koerdische vluchtelingen tussen 1988 en 1992 een verschrikkelijke tijd doorgebracht. Ze werden vernederd door de Turkse autoriteiten, zelfs vergiftigd. Turkije wilde hen dwingen naar Irak terug te keren, waar velen een zekere dood zou wachten.

Een stop bij een Koerdisch wegrestaurant brengt me een paar decennia terug in de tijd. Ik voel me even thuis, maar durf het water niet te drinken en de groenten niet te eten. Ik heb geen zin mijn reis met diarree te beginnen, temeer omdat ze geen westerse toiletten hebben en geen toiletpapier, alleen een gieter.

Vanaf 40 kilometer voor de grens staan vrachtwagens achter elkaar, wachtend op een stempel. De Turkse douaneambtenaren behandelen je als lucht. Van de ene balie naar de andere om je paspoort te laten stempelen. Tussen de massa vrachtwagens door rijden we dan over de enige brug naar het ,,bevrijde'' Koerdistan. Daar waar de Koerdische vlag wappert, word je met respect behandeld. Je krijgt een kop zoete zwarte thee aangeboden en je kunt zittend wachten op een stempel, wat hooguit vijf minuten duurt.

De Koerdische douaneambtenaar vertelt me dat mijn neven op me wachten. Ik zie ze in de verte, ze komen op me af. We omhelzen elkaar. Na lange jaren ruik ik weer de geur van Koerdistan. We rijden naar Duhok waar mijn moeder sinds zeven september 1997 begraven ligt. De straten zijn bijna leeg en de mullahs roepen uit alle minaretten op tot gebed voor Allah. Het is vijf uur in de ochtend.

Mijn halfbroer haalt me op uit mijn hotel. Zijn hand voelt ruw, er gapen grote gaten tussen zijn weinige overgebleven bruine tanden. We gaan met een taxi naar zijn huis en als ik eenzelfde gebit bij zijn vrouw zie, vraag ik waarom ze geen kunstgebit laten maken. Het antwoord luidt: dat is duur en we zijn het zo gewend.

Ik had in totaal drie broers: twee (oudere) halfbroers en een broertje. De oudste halfbroer is vermoord in de oorlog tussen Koerden en de regering in 1962. Mijn broertje verdween twintig jaar later in de oorlog tussen Irak en Iran.

Als ik aan mijn broer vraag hoeveel kinderen hij heeft, lacht hij, hij weet het zelf niet. Een van zijn kinderen begint te tellen. Het resultaat is: 17 kinderen. Er zijn er 14 in leven, van wie er negen getrouwd zijn. Zij hebben mijn broer opa gemaakt van 34 kleinkinderen.

De lunch wordt geserveerd; diverse soorten rijst, soepen, vlees, brood, yoghurt en frisse dranken.

,,Waarom zo veel, ik kan niet zo vet eten'', vraag ik aan mijn schoonzuster.

,,We hadden een schaap voor je moeten slachten'', zegt ze.

Met mijn broer en zijn zoon bezoeken we mijn geboortedorp, Zawite. Mijn ouderlijk huis is nu omringd door andere huizen en lijkt niet op het huis dat al ruim 40 jaar staat uitgetekend in mijn hoofd. Ik bezoek de boomgaard en zie er mijn vader en zijn broer aan het werk. Ik zie mezelf een steen naar een kikker gooien en in het water vallen en bijna verdrinken. Hoe kan ik als een grijze man daar staan terwijl mijn vader jong is, jonger dan ik nu ben. Mijn neef wijst me de plek waar mijn vader gedood werd. Ik krijg enorme behoefte om zijn graf te bezoeken. Maar niemand weet exact waar het ligt. Ze hebben toen geen grafsteen met naam geplaatst en het graf ligt zelfs niet op een begraafplaats.

We rijden naar het graf van mijn moeder op de begraafplaats van Duhok. Mijn moeder overleed in stilte op het moment dat miljoenen afscheid namen van prinses Diana. Het graf heeft geen echte grafsteen en geen naam.

,,Waarom hebben jullie geen grafsteen geplaatst?''

,,In de islam is dat niet gepast.''

,,Zijn al die mensen met namen op de grafstenen heidenen?''

,,Dat is zonde.''

Ik vind dit grote onzin, maar spreek mijn broer niet tegen. We trekken wat wilde planten uit die op het graf groeien en ik probeer een gesprek met moeder aan te knopen. Zij wil niet, blijkbaar boos omdat ik haar pas na zeven jaar kom bezoeken.

Mijn moeder vertelde me toen ik klein was dat het lot van ieder mens al voor de geboorte bezegeld is. Ze vertelde dat de engelen op het voorhoofd schrijven wat iemand zal overkomen. Ieder keer als ik mijn kleine voorhoofd in de spiegel zag, was ik een beetje teleurgesteld omdat er niet zoveel op mijn voorhoofd geschreven kon worden. Ik dacht dat ik snel dood zou gaan. Ik raakte gefascineerd door voorhoofden. Toen ik op een dag een jongen met een waterhoofd zag dacht ik dat die heel lang zou leven, maar hij overleed snel. Ik vroeg aan moeder hoe dat kwam. Ze vertelde dat de grootte van het voorhoofd niets te maken heeft met het lot.

Nu ik grijs ben en het graf van moeder bezoek, vraag ik haar (natuurlijk niet hardop, anders denken mijn broer en mijn neef dat ik gek ben) of op mijn voorhoofd staat dat ik haar graf kwam bezoeken en een wilde plant weg zou halen. Mijn moeder zegt niets, in ieder geval hoor ik haar stem niet. Maar als ik wegloop, hoor ik haar roepen: ,,Je blijft die stoute jongen die altijd van die moeilijke vragen stelt.'' Ik kijk terug en zeg: ,,Ik kan er niets aan doen moeder, ik voer alleen uit wat er op mijn voorhoofd staat.'' Ik hoor haar zuchten.

Ik concludeer dat mijn moeder zelfs na haar dood niet gelukkig is en vraag me af of ik er schuld aan heb.

Ik vraag mijn broer hoe mijn moeder stierf. Hij vertelt dat zij pijn voelde in haar nieren en in het ziekenhuis overleed. ,,Het was al avond aan het worden en we hebben haar zo snel mogelijk begraven'', zegt hij. Ik geloof mijn oren niet en krijg buikkramp: ,,Konden jullie niet wachten, misschien was ze nog niet dood.'' ,,We waren bang voor de PKK (de voormalige Koerdische Arbeiderspartij, red.) die 's avonds vooral op mensen op de begraafplaats schoot'', zegt hij. ,,Dat is een goede reden om een dag te wachten'', zeg ik wanhopig, alsof mijn moeder nog niet begraven ligt. Ik hoor na een lange stilte mijn broer zacht zeggen: ,,Het is de wil van Allah. Hij heeft zo gewild.''

Ik overwin mijn woede en vraag waarom de PKK op mensen op de begraafplaatsen schoot. ,,De PKK beschouwde de Iraakse Koerden als verklikkers en samenzweerders met de Turken.'' De broederoorlog in Koerdistan is oud, eeuwen oud, het is bijna cultuur geworden. Koerdistan bestond uit prinsdommen die in naam van de islam tegen elkaar werden opgezet door Turken en Perzen toen deze het Ottomaanse (soennitische) en het Perzische (sjiietische) rijk vormden en tegen elkaar vochten. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd het Koerdische gebied (Koerdistan) door de Britten en Fransen, misschien onbewust, over verschillende landen verdeeld. De gewapende strijd barstte in alle delen van Koerdistan los. Nog steeds is er geen oplossing voor gevonden.

Bij het hotel kom ik mijn beste vriend tegen, de dichter M., in het gezelschap van een Zweedse Koerd. Hij bracht dertien jaar door in Zweden, werkte als tolk en gaf onderwijs. Als we samen zijn, is er poëzie, patriottisme, cynisme. Maar altijd krijgt zelfspot de overhand. Hij vertelt dat hij met een jonge Koerdische vrouw getrouwd is en drie mooie dochters heeft. Ik wil niet, in aanwezigheid van zijn metgezel, naar zijn Zweedse vriendin vragen en vertel dat ik nog steeds drie kinderen heb die inmiddels hun vader als hun kind beschouwen.

Ik vraag M. of hij contact heeft met onze ,,oude'' vriend en dichter B., die niet vluchtte maar in Bagdad bleef werken. B. schopte het tot directeur-generaal van Koerdische cultuur onder Saddam Hussein, maar werd in 1996 voor acht jaar overgeplaatst naar de Abu Ghraib-gevangenis. M. belt met B. en zegt dat we hem komen halen voor een reis naar een kwart eeuw geleden. De reis begint in de chique Toyota die in de volksmond `uloedj' heet. Het zijn de auto's die vlak voor de oorlog, ruim een jaar gelden, voor hoge functionarissen uit de partij van Saddam Hussein waren geïmporteerd.

,,Kun je hier in deze chaos rijden?''

,,Het is hier geweldig, wat je ook doet, je wordt niet gestraft. Ook als je iemand in het verkeer doodrijdt, zeggen ze: `God heeft het zo gewild'.''

Ik lach van ergernis.

Bij de deur van B.'s huis kan ik mijn ogen niet geloven; hij ziet er exact zo uit als 24 jaar geleden. Mijn verbazing duurt niet lang; de echte B. komt naar buiten. Hij is helemaal grijs, dik, maar vrolijk zoals altijd. We omhelzen elkaar en ik geef ook zijn zoon een hand.

Ik denk aan het moment dat B. mij bijna een kwart eeuw geleden naar een busstation in Bagdad bracht en ik vervolgens, via het onveilige gebergte, het land uit vluchtte. Ik vraag B. of hij zich dat moment herinnert. Hij kijkt me aan met een kolossaal verwijt in de ogen.

In een suite proberen we de (dode) kwart eeuw te reanimeren. B. drinkt bier, M. en ik rode wijn. Ik merk dat we niet zijn wie we waren. We lijken op drie muziekinstrumenten die nog gestemd moeten worden. Iedereen vertelt iets over zijn eigen ballingschap, B. was een banneling in Bagdad. Ondanks zijn glimlach zie ik een droevige, bittere blik in zijn ogen. M. vertelt wrange, komische verhalen over de bluf, fantasie en leugens van gevluchte landgenoten. We lachen. Ik vraag hem of hij nog contact heeft met zijn Zweedse vriendin.

Hij neemt een slokje wijn.

,,Ik nam een jaar onbetaald verlof. Mijn vriendin had natuurlijk gehoord dat vele gevluchte Koerden terug naar Koerdistan gingen om daar te trouwen en weer naar Zweden terugkeerden met hun verse bruiden. Toen ze haar zorgen daarover vertelde, zei ik dat zij mij moest vertrouwen, want ik ben niet als die boerenpummels. Ik kwam in september in Koerdistan aan, twee weken later ging ik naar het huis van een meisje om te zien of ze voor me geschikt was. Na het wisselen van een paar woorden met haar besloot ik haar te huwen. Nog geen twee maanden later vierde ik mijn bruiloft. In de zomer gingen we met vakantie naar Zweden. In Turkije belde ik mijn Zweedse vriendin. Ze had van vrienden gehoord dat ik getrouwd was. Ze was boos. Ik zei dat mensen liegen en ik alleen van haar hield. Ze werd meteen blij en zei dat ze een feestje ging organiseren en die leugenaars en roddelaars ging uitnodigen. Toen zei ik: `Doe maar niet, ze liegen niet. Ik lieg. Ik ben getrouwd en heb bijna een kind'.''

De liter rode wijn likt zijn lege bodem, de grote blikjes bier voelen zich leeg. De twee dichters en ik kunnen de snaar, de gezamenlijke snaar van een kwarteeuw geleden niet vinden. Onderweg naar het hotel vraag ik me af waarom ik B. niet naar het verhaal van zijn arrestatie heb gevraagd, of waarom hij in Koerdistan vernederd wordt. Ik zucht en zie ons gesprek, dat geen diepte had, snel voorbijgaan. Ik hoor M. lachen. Als ik hem vraag waarom hij lacht zegt hij: ,,Er was iemand die zijn neus uit het raam stak om frisse lucht te halen, maar hij sneed zijn neus aan een scherpe scherf. Hij pakte zijn neus beet. Zijn vriend vroeg waarom hij zijn neus vasthield. De man zei dat hij een heerlijke geur rook en er zolang mogelijk van wilde genieten en vroeg zijn vriend hetzelfde te doen om die heerlijke geur niet te missen!''

,,Ben jij die man die zijn neus stoot?'', vraag ik M. Hij zucht en zwijgt.

De volgende avond laat de tv-presentator, die ook hoofdredacteur is van een literair tijdschrift, me op een borrel het laatste nummer van zijn tijdschrift zien. De eerste drie pagina's zijn speeches van de president van de partij, de minister-president en de burgemeester. Ik vraag wat die met kunst te maken hebben. Zulke vragen worden met scepsis ontvangen, vooral als ze van een gevluchte Koerd komen die in het luxe Europa woont en niets van de pijn van zijn volk voelt! Het gezelschap, allemaal belangrijke politici, gaat in de verdediging. De discussie wordt beëindigd door het begin van een live uitzending van Al-Jazeera. Ik zie mijn twee bevriende dichters op de buis verschijnen met hun opgestoken middelvingers en bebloede neuzen. Ik hoor de stem van mijn vrouw: ,,Kom gauw terug, we missen je.''

Als ik ruim een week later op het punt sta terug te gaan, besef ik dat ik maar een paar minuten het graf van moeder heb bezocht, en geen grafsteen heb gemaakt. Ik besef dat ik geen moeite heb genomen het graf van mijn vader te vinden. Schuldgevoel, onvrede en boosheid overvallen me. Ik stik bijna, smeek mijn vader zich aan mij te laten zien.

Het laat hem koud.

    • Ibrahim Selman